Ik kijk Cemal, de koning van Jenava, recht in de ogen aan. Dan begint hij met praten. "Stamleider Bart! Vandaag is de dag dat jij en heel Kanta Tribo zult sterven! Ik zal jou aan mijn zwaard heisen en-" Ik kap hem abrupt af. "Ja ja dat heb ik nu al jaren gehoord en het is nog steeds niet gebeurd! Hou nou maar op met die grote praatjes van je en begin waar je voor gekomen bent!" Snauw ik terug, ik vind het al klote genoeg dat dit moest gebeuren op de dag waarop ik net wilde vertrekken.
"Ik dacht dat je misschien wat tijd wilde rekken voordat je sterft, maar blijkbaar is dat niet het geval! Mannen... AANVALLEN!" Schreeuwt hij en kort daarna komt er een regen van pijlen op ons af. Gelukkig kan ik nog achter een kanteel schuilen, anders was ik waarschijnlijk geraakt. Dit is ook het geval bij vele andere soldaten van ons, anderen hadden helaas minder geluk.
Een man zakt vlak voor mij in elkaar die is geraakt met twee pijlen in zijn nek. Wat bloed sputtert op mijn laarzen en ik hoor vreselijke geluiden achter mij. Dit is het smerige van een oorlog: Wat je ook ziet, hoort, ruikt of voelt... Je moet doorgaan anders ben je er geweest.
Ik klim razendsnel van de muur af wanneer ik zie dat de Jenavanen op ons af stormen. We moeten ze tegenhouden kosten wat kost anders bereiken ze de stad en vallen er nog meer doden.
Ik sprint op ze af terwijl ik het eigenlijk niet wil. Je wilt niet iemand doden die je nog nooit hebt gezien, ook al is het een soldaat van je ergste vijand. Iemand glijd uit van een roodkleurige modderpoel rechts van mij. Bij een ander werd zojuist de romp van zijn bovenlichaam eraf gesneden met een zwaard. Ik heb geen tijd om te kijken of diegene Kantaans of Jenavaans was.
Het stinkt naar urine, rottend vlees en andere dingen waar ik niet eens van wil weten wat het precies is. Afschuwelijk.
De ratten, die van de lijken van een ander slagveld aan het eten waren, zijn weggevlucht. De kraaien vliegen boven ons, wachtend totdat er nog een in elkaar zakt. Ze zijn niet kieskeurig, als ze al een open wond zien duiken ze op je af. Het maakt hun niet uit of je dan al dood bent of niet.
Zonder er bij na te denken snij ik iemand zijn hoofd er af. Ik kijk snel weg. Ik hoef hem niet in zijn levenloze ogen te bekijken.
Naast mij ligt een gouden trouwring op de grond van een gesneuvelde, een echtgenoot, een soldaat die nooit zijn familie terug zal zien.
Een jonge soldaat, ik schat van nog maar rond de zestien, steekt met tranen die over zijn wangen stromen een dolk in zijn eigen borstkas. Hij had kastanjebruin haar en sproeten.
Ik stap per ongeluk in iets glibberig en kijk naar beneden. Het is een stuk afgesneden gezicht.
Er ligt een klein vertrapt familieportret bij mij in de buurt. Het is geen mooi geschilderd portret, maar een kleutertekening, Thijs heeft die gemaakt, als ik naar het lelijke handschrift geschreven met een blauw waskrijtje moet kijken dan.
Na een luguber gevecht met nog wat andere Jenavanen hoor ik Meindert, de generaal van Jenava, iets schreeuwen waardoor we allemaal stoppen met vechten: "TERUGTREKKEN!"
Het dringt dan tot mij door: er liggen meer Jenavanen dan Kantanen op de grond. Ik kijk Meindert aan vol verbazing aan en ik krijg ook een verbaasde blik terug. We zijn beide niet kwaad op elkaar, eerder zelfs blij dat het voorbij is.
Ik heb een droge mond en ik zweet als een malle. Ik heb nu al spierpijn en mijn handen trillen.
We hebben gewonnen.

JE LEEST
She Came Back
PertualanganChief Bart van Kanta Tribo heeft een wand van Ragftagar gekregen, daar zou hij toch echt heel blij moeten zijn? Verkeerd gedacht. Bart is welliswaar allergisch voor de energie van de wand en heeft tot nu toe alles er aan gedaan om hemzelf daar een...