De Taboranen, een krijgszuchtig volk uit het zuidwesten, vallen Alidar binnen. Hun macht steunt ten dele op oeroude steenmagie. Cedoar, de dochter van de kuiper Fagew, zal na een aanval van de Taboranen op het stadje Nebra, waarbij haar vader - die al lang weduwnaar is - sneuvelt, de leiding over de verdedigingsmacht overnemen en de Taboranen een gevoelige klap weten toe te brengen. Ze beseft echter al snel dat ze om de Taboranen definitief te verslaan hulp nodig heeft en trekt er op uit om de hulp van de wilde Alven te winnen. Onderweg ontdekt ze haar eigen magie, dewelke ze maar moeilijk kan beheersen. Ze kan echter wel terugvallen op de hulp van haar oom Larrow, een herbergier, en Turow, de beste vriend van haar vader en een brouwer.
Hij viel uit de hemel voor zijn zon, maar verloor zijn hart op aarde.
Maan heeft één maancyclus. Eén maand om als sterveling zijn ware geliefde, de zon, te vinden. Faalt hij, dan valt zijn ziel in handen van Levar, de heer van de schaduwen.
Maar de mensenwereld is gevaarlijker, en verleidelijker, dan hij dacht. Wanneer hij Elisabeth ontmoet, een vrouw die de sterren niet aanbidt maar ze wil bereiken, begint zijn doel te wankelen. Wat als het licht dat hij zoekt niet in de lucht hangt, maar recht voor hem staat?