Hoofdstuk 1

5 1 0
                                    

Ik werd wakker met een hemel boven mijn hoofd die was omgekeerd. In plaats van sterren, keek ik naar geplet gras en gevallen bladeren. Ik kon me niet herinneren dat ik was gevallen, of dat ik überhaupt naar buiten was geweest. Wat deed ik als laatste? De grond was koud en hard, terwijl ik probeerde te bedenken hoe ik hier gekomen was. Iets naast me kuchte. Het begon iets te mompelen en ik was niet meer zo zeker of het wel een iets was. Ik probeerde mijn hoofd om te draaien, maar het enige dat ik zag was vuil en aarde.

'Ben je wakker?' vroeg een stem, waarschijnlijk van een jongen. Een gilletje ontsnapte uit mijn mond, ik was geschrokken van het feit dat er, inderdaad, iemand naast me was. 'Ik denk het?' Ik wist niet zo goed was ik moest zeggen, maar in ieder geval niet zoiets stoms als ik had gezegd. Als ik niet wakker was geweest, dan had ik niet eens kunnen antwoorden. 'Hulp nodig met opstaan?' vroeg de stem, van boven komend. Ik knikte, maar het voelde eerder alsof ik een gat aan het graven was met mijn kin. Ik duwde mezelf omhoog, totdat ik stond en veegde mijn knieën af. Een lange jongen stond voor me. Zijn haar stak alle kanten op, alsof het overal wilde zijn behalve op zijn hoofd. Het glansde met de donkere kleur van kastanjes. Zijn ogen hadden een vervaagde blauwe kleur, met kleine grijze spikkels. Hij grijnsde en iets aan hem klopte niet, maar ik kon niet bedenken wat. 'Waar zijn we?' Ik moest het weten. 'Ik heb geen idee, maar kijk om je heen.' Hij spreidde zijn armen en draaide een rondje op zijn tenen.

Het viel me toen pas op.
Ik was niet meer in mijn huis op TownLakeRoad. De grijze stenen van de straten hadden plaatst gemaakt voor ver uitgestrekte weiden. Het gras scheen fel in mijn ogen. Het gras scheen fel in mijn ogen? Ik keek omlaag naar mijn voeten, waar duizenden kleine edelstenen lagen te glimmen. Zo ver als ik kon kijken strekten ze uit over het gras. Het gras. Het gras dat ik kende van thuis was groen, maar het gras dat nu mijn tenen o zo zacht aan het kriebelen was, had een lichtblauwe kleur.

Vreemd.
 Alles hier was zo anders en toch voelde het minder raar dan zou moeten. Misschien was ik in shock, of misschien was dit een rare droom. Ik voelde me misselijk worden. Langzaam strompelde ik naar een boom toe. Ik liet mezelf langs de bast naar beneden zakken en keek door het bladerdak omhoog. De bomen waren reusachtig, ik kon omhoog kijken wat ik wilde, maar de lucht zag ik niet. De jongen liep naar me toe en kwam naast me zitten. 'Vind je het niet geweldig?' vroeg hij, eerder nieuwsgierig, dan teleurgesteld. 'Nee, niet echt.' Ik trok mijn benen op en sloeg mijn armen om mijn knieën.

'Moet jij je niet afvragen waar je bent?' vroeg ik aan hem, aangezien hij geen enkel symptoom van stress of angst uitstraalde. 'Eigenlijk wel.' Hij staarde in de verte. Een ritseling trok door het gras heen en even verloren de edelstenen hun kleuren. De kleuren trokken langzaam weg en in plaats van een grijze kleur, zoals je wel eens in films ziet of in boeken leest, was er geen kleur en dat was het meest rare dat ik ooit gezien had.

'Hoe heet je?' vroeg de jongen, nadat we een tijdje hadden gezwegen. 'Ik? Gewoon...' Ik wist het niet meer. Had ik het wel ooit geweten? 'Ik... Ik ben het vergeten?' Snel stond ik op en stapte naar voren. Het antwoord stond daar niet geschreven, dat wist ik, maar ik voelde me nog misselijker worden, dan dat ik al was. Hij kwam naast me staan en keek naar beneden, misschien was hij ook op zoek naar het antwoord. We vonden mijn naam niet.

'Iets klopt hier niet en ik blijf hier niet om het uit te zoeken,' zei ik uiteindelijk vastbesloten. Ik had er genoeg van. Mijn handen waren tot vuisten gebald en ik liep weg. Misschien had ik geslaapwandeld en was ik in een filmset beland. Misschien droomde ik nog steeds. Ik keek achterom, naar de jongen die me achterna staarde. Misschien had hij me wel gedrogeerd en had ik nu nog hallucinaties. Het verklaarde niet waarom hij ze ook had, maar ik wilde het niet weten. Stug liep ik verder.

'Wacht!' riep hij. Voetstappen bonste op het gras. Mijn schouder werd ruw vastgepakt en ik werd omgedraaid. 'Ik ga mee!' Hijgend kwamen zijn woorden eruit. 'Om eerlijk te zijn ben ik net zo bang als jij.' Zijn stem trilde en in zijn ogen was angst te zien. 'Oké...' Was het wel verstandig als hij mee ging? Hij lachte met een schuine lach naar me. Zijn haar waaide op door de wind. 'Welke kant op?' vroeg ik, hij haalde zijn schouders op en hupste voorruit. 'Maakt het uit? We weten toch niet waar we uit komen!'

De zon kwam hoger in de hemel te staan. Het landschap veranderde van uitgestrekte weiden naar dichtbegroeide bossen. De edelstenen maakte langzaam plaats voor paddenstoelen en bloemen. Sommige paddenstoelen waren gifgroen van kleur. Ik liep erheen om ze beter te bekijken. Er staken rare witte stekels uit. Op de achterkant van de stekels groeide piep kleine witte bloemetjes.
De kleur van het blauwe gras vloeide over in een helder rood met een glans van oranje. De bomen torende hoog boven ons uit en ik slikte. Het bos zag er niet angstaanjagend uit, maar het idee om er alleen in rond te dwalen maakte me bang. Ik keek opzij. De jongen was er nog. Zou hij mij het meisje noemen? Ik grinnikte. Hij keek me van opzij aan. Zijn wenkbrouwen trokken omhoog, alsof ze wilden zeggen: "waar lach je om?" Mijn wenkbrouwen schoten ook omhoog en ik lacht nog breder, waarmee ik wilde zeggen: "wat valt er niet te lachen?" Hij haalde zijn schouders op.  'Gaan we deze kant op?' vroeg ik. Hij zakte licht door zijn knieën en maakte een buigend gebaar. 'Gaat u voor.'

De zon glitterde door het bladerdak naar beneden. De wereld leek even stil te staan. Ik hapte naar adem. Naast me werd er ook maar adem gehapt. Duizenden bloemen, die we beiden nog nooit gezien hadden, kleurden de bosgrond als een regenboog. Groot, klein, rechthoekig of vierkant. De bloemen waren er in alle soorten en maten. Een bloem, die een paar centimeter van ons af hing, liet lange draden met nectar naar beneden hangen. De bladeren van de bloem liepen in krullen omlaag en wikkelden zich losjes om de draden heen. Mijn vinger streek langs een nectardraad, maar in plaats van nectar, kwam er een dikke laag honing van af. Snel schudde ik mijn hand en voog de rest van de honing aan mijn rok af. Ik keek naar beneden. Een zwart wijd uitlopend rokje bedekte mijn benen. Ik had nog geen tijd gehad om te zien wat ik aan had, laat staan dat het belangrijk was.   Een dikke witte streep van honing bleef op mijn rok achter. Ik fronsde. 'Hoort honing wit te zijn?' vroeg ik, terwijl ik een blaadje van de grond oppakte, om mijn rok af te poetsen. Er kwam geen antwoord. 'Hey?' De witte streep bleef hardnekkig zitten. 'Hallo?!' Ik was inmiddels aan het schreeuwen. 'E-emily.' Zijn stem klonk zwak. Ik draaide me om en zag nog net dat zijn ogen achter over draaien.

Binnen een seconde stond ik naast hem. Zijn ogen waren gesloten en zijn armen bewogen op en neer. Zijn benen zwaaiden in het wild. 'Lig stil!' Riep ik tegen hem. Wat bedoelde hij met Emily? Het zweet brak bij me uit. Ik wist niet wat ik moest doen. Het zou gemeen zijn om hem te laten liggen, maar ik kon hier ook niet blijven. Ik drukte mijn oor tegen zijn borstkas aan. Een lichte hardklop. Hij leefde nog. Snel probeerde ik alle reanimatie technieken op te noemen. Ik wist ze niet. Wat wist ik wel over mezelf? De stress werd erger.

--- Dit hoofdstuk is nog lang niet af, maar ik wilde alvast een deel plaatsen. ---

You've reached the end of published parts.

⏰ Last updated: Sep 18, 2016 ⏰

Add this story to your Library to get notified about new parts!

De DimensiespringersWhere stories live. Discover now