Hoofdstuk 6

19 1 1
                                    

Ethan

Ik was voor mijn gevoel al meer dan tien uur achter elkaar aan het rijden. Nog steeds was het pik donker. Het enige wat ik zag waren de sterren die aan de hemel stonden, en alles wat in aanraking kwam met de lichten van mijn jeep. Mijn ogenleden begonnen steeds zwaarder te worden, ik was al drie keer bijna in slaap gevallen. Na nog een half uur gereden te hebben besloot ik te gaan slapen. Ik zette de motor af en gelijk werd het doodstil, ook waren de lichten uitgegaan. Snel zocht ik naar een zaklamp, klikte hem aan en keek naar het gebied om mij heen. Ik stond bovenop één van de hogere bergen, helemaal omringt door groen. Als ik naar links keek zag ik in de verte de lichten van de stad waar ik vandaan kwam, Sydney. Maar keek ik naar rechts zag ik allemaal bergen, ieder indentiek, elke een andere hoogte. Ik liep om de jeep heen en klom in de achterbak. In de laadruimte eronder vond ik een versleten deken. Mijn jas gebruikte ik als kussen. Ik probeerde het mezelf zo comfortabel mogelijk te maken zodat ik goed uitgerust zou zijn. Al snel viel ik in slaap. 

Het leek alsof ik zweefde, ik zag water, water en nog eens water. Snel zweefde ik over de zee, teminste zo zag het eruit. Uiteindelijk kwam ik uit bij een boot, hij was niet groot maar groot genoeg om op te kunnen slapen en wonen. Met mijn voeten landde ik op de rand van de boot, voorzichtig en zachtjes klom ik in de cabine. Op de bank zag ik het meisje liggen. Ik keek rond en zag haar tas in een hoek staan. Hij was niet groot en dat verbaasde me. Ik sloop dichterbij en bekek de tas wat beter, er stond een naam op. Jill. Zou ze zo heten? Ineens begon alles te draaien, mijn knieën begonnen te knikken en ik zakte er doorheen. Met een klap raakte mijn hoofd de houten vloer. 

Ik knipperde met mijn ogen, na een tijdje was ik gewend aan het donker en kon ik rondkjken. Het gezicht van het meisje wat waarschijnlijk Jill heette stond op mijn netvlies gebrand. Ze was jong, dat zag je meteen. Ze kon niet ouder zijn dan een jaar of zestien. Mijn maag was aan het rammelen, ik besloot wat te gaan eten en daarna door te rijden. Ik was als het goed is nog maar één dag verwijderd van de haven aan de andere kant van Australië. Het gebied waar ik doorheen reed ging in flitsen aan me voorbij, zo snel reed ik. 

Eindelijk kwam ik aan in Darwin, waar de haven lag. Ik parkeerde de jeep in een steegje en liep met mijn tas richting de steigers. Ik liep al ruim een half uur te zoeken toen ik eindelijk de perfecte boot gevonden had. Hij was niet groot, precies groot genoeg om op te kunnen slapen. Gek genoeg zaten er geen sloten op. Binnen in de cabine stond een bank met tafel en een kleine keuken. Voor in de punt was een tweepersoonsbed. Ik zette mijn spullen neer en liep weer de steiger af. Ik had geluk dat er in de haven zelf ook nog een winkeltje was waar je eten en drinken kon halen. De weekendtas die ik in de boot geleegd had, vulde ik met eten wat lang houdbaar was en drinken. Ook haalde ik nog vier tankjes met benzine, voor als ik zonder kwam te zitten. Ik keek nog een laatste keer de boot door om te kijken of ik alles had. Ik gooide de trossen los en zette me af van de steiger. Snel ging ik achter het stuur staan. Met een duw tegen de hendel naast het stuur sloeg de motor aan. Na een paar minuten verliet ik de haven, de volle zee op. Op naar Jill.

Destiny - DutchWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu