3. Jareth

29 4 0
                                    

Eenmaal aangekomen bij het bankje- toen ze sliep was ik Aurélies huis uit geslopen- zag ik een individu op het bankje zitten. Mijn adem stokte en ik liep er geluidloos heen. Af en toe kraakten de takken onder mijn gewicht. Ik trok een pijnlijke grijns toen ik mij besefte dat de onbekende een meisje was. Haar bruine lokken staken af tegen de sterren en haar witte jurkje leek te schijnen in het maanlicht. Een blaadje knisperde onder mijn voet en het meisje draaide haar hoofd om. Haar hazelbruine ogen staarden in de mijne. Maar ze waren anders. Niet zoals die van Aurélie. Deze waren sprankelend.

Het meisje stond op, keek mij angstig aan en sprak. 'Sorry, ik- laat maar', fluisterde ze, bijna onhoorbaar. Ze rende weg, mij met vragen achterlatend. Ik liep om het bankje heen, raakte de Acaciaboom aan die het beschutte. Er stond iets in gekrast. Ik kon het niet lezen. Het stond er al langer. Ik streek met mijn vinger over het ruwe hout van de bank. Alles wat hij achterliet, was een splinter. 'Au', vloekte ik en een bloeddruppel schudde ik van mijn vinger, nadat ik de splinter had verwijderd. Ik keek naar de sterren.

De poolster leek helderder dan ooit.

Bruine OgenWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu