Hoofdstuk 1

19 3 3
                                        

Ik lig op de grond. Alles rondom mij is donker, ik zie niks. Het enige wat me opvalt is een kaars. Ze wakkert mee met de koude tocht die hier hangt. Ik ben nat, van top tot teen. Mijn kleren liggen op een hoopje langs me. Opeens zweeft de kaars naar mij toe. Ik schuif achteruit tot ik tegen een muur bots. Maar de kaars was niet van plan mij in brand te steken, ze wil mijn kleren. De eerste vlam streelt over mijn kleren. Nu vliegt alles in brand. Er komt wat meer licht in de kamer. De vlammen beginnen zich te verspreiden door de kamer.Dan hoor ik gejank. "Felix", weet ik. Hij zit aan de andere kant van de kamer. Aan de kant waar de vlammen naartoe gaan. Ik raak in paniek en kijk vluchtig om me heen. Dan merkt me iets op. Iets op de muur. Letters.Bloed. Ik probeer te achterhalen wat er staat.                     'In een van de andere 7 kamers op deze verdieping staat een emmer water. Snel, of je hondje gaat eraan.'  Snel sta ik op en ren ik naar één van de andere kamers. De eerste kamer waar ik binnen loop is mis. Het enige wat ik zie is een collectie poppen. Bang ren ik terug naar buiten en probeer ik een andere deur. In de volgende kamer staat een bad in het midden van de kamer. Zonder na te denken ren ik terug naar buiten. "Waar staat er een fucking emmer?" denk ik vloekend. Ik ga alle kamers zorgvuldig af maar nergens is er een emmer te bespeuren. Uiteindelijk ren ik wanhopig terug naar de kamer waar Felix zit. Daar zie ik opeens een emmer staan op de plek waar ik toen net zat. Ik grijp naar de emmer en ren terug naar de kamer met het bad. Snel doe ik de kraan open. Hij werkt niet. Er komt geen ene druppel water uit. Ik begin te schreeuwen en loop terug naar de kamer met Felix. Alle vlammen zijn verdwenen. Het enige wat overblijft zijn mijn kleren. Helemaal hetzelfde. Geen enkel afgebrand stukje aan. De hoop kleren begint te bewegen. Ik word bang. Plotseling springt Felix blij onder het hoopje uit. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. Opeens schiet er mij wat te binnen. De letters, het bloed. Alles is weg. Ik neem Felix in mijn armen en loop snel met hem naar beneden. Samen lopen we naar de plek waardoor we hier zijn geraakt om naar huis te gaan. Maar dan zie ik dat er geen deur meer is. Waar eerst de deur zat, hangt er nu een muurtapijt. Ik hef het tapijt op om te kijken of de deur erachter zit. Maar de deur is weg. Ik kijk rond in de kamer of ik een andere uitgang zie. Er is niks meer. We kunnen niet meer terug. 




De WandelingWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu