Als ik mijn ogen open, is het donker. Nee, niet donker, zwart. Geen sprankje licht dringt mijn blikveld binnen. Alert spring ik overeind.
"Au!" Ik laat mezelf weer op de grond vallen en vouw kermend van de pijn mijn handen om mijn linkerenkel. Na enige tijd is de pijn enigszins weggetrokken en ik doe nog een poging om op te staan, dit keer alleen net iets rustiger. Ik verdeel mijn gewicht over mijn voeten en zorg ervoor dat ik grotendeels op mijn rechtervoet rust. Voorzichtig zet ik een paar stappen en opgelucht constateer ik dat ik er nog redelijk op kan lopen. Met mijn armen voor me uitgestrekt doe ik een poging mijn cel te verkennen. In het wilde weg strompel ik een beetje rond en teneergeslagen besef ik dat dit niet werkt. Ik moet een plan hebben. Zonder dat ik het in eerste instantie merk, begin ik te ijsberen.
"Au! Dat is de tweede keer, verdomme." Gepijnigd wrijf ik over mijn hoofd. Als de pijn wat is weggetrokken, besef ik me wel wat. Ik stootte mijn hoofd, wat wil zeggen dat ik dichtbij een muur zit. Het is niet veel, maar het is iets. Opnieuw strek ik mijn armen voor me uit, maar dit keer vind ik wel wat. Mijn handen stuiten op een betonnen muur. Met één hand aan de muur verken ik de kamer. Vier hoeken, vier muren en... één deur. Ik sla een opgewonden kreetje als ik de deur ontdek. Ik zoek naar een klink, maar het enige wat ik vind is mijn eigen wanhoop. Zonder mijn enkel al te veel te bewegen, neem ik weer plaats op de harde, koude grond. Moeizaam graaf ik in mijn geheugen. Wat is er gebeurd? Waarom zit ik hier? Waar ben ik überhaupt? Langzaam komen de herinneringen weer naar boven. Een harde klap. Bloed. Bloed? Ik frons mijn wenkbrauwen.
"Olivier!" Ik schrik van mijn stem. Hij klinkt schor. Rauw. Voetstappen. Alert richt ik mijn hoofd op.
"Hallo?" Een sleutel in een slot. Langzaam wordt hij omgedraaid. Ik hoor hoe degene aan de andere kant van de deur tegen de deur aanduwt. De deur kraakt en opeens zwaait hij open. Gedesoriënteerd probeer ik wat te onderscheiden in het felle licht.
"Wie-wie is daar?" Mijn ogen beginnen langzaam te wennen aan de plotselinge helderheid. Een gestalte loopt op me af en pakt me ruw bij mijn arm.
"Laat me los! Laat me met rust, bruut!"
Ik schop zo hard ik kan, maar tevergeefs. Hij trekt me omhoog en sleept me mee door lange gangen. Langs kruisingen en door bochten. Hier en daar schaaf ik mijn armen en benen langs de wanden. Ik voel de wonden branden. Tot we eindelijk stoppen voor een deur, waar een klein streepje licht onder vandaan komt.
"Diëgo, mijn goede vriend. Zet het meisje maar in de stoel." De deur zwaait open en mijn bewaker trekt me aan mijn arm naar binnen. Ruw trek ik me los.
"'Het meisje' heeft een naam hoor." Ik plant mijn voeten vastberaden in de grond.
"Oh, excuseer. Kate, als ik mij niet vergis?" Spottend kijkt de man tegenover mij me aan. Hij heeft borstelige wenkbrauwen, zwart, warrig haar en een grote snor. Een stevig postuur met lange armen en lange benen. Ik verberg mijn verbazing en neem rustig plaats op de stoel. Kalm klop ik het stof van mijn kleren, waarna ik mijn benen over elkaar sla. Uiteindelijk richt ik mijn hoofd op en kijk recht in twee donkere ogen.
"Had u wat?" Dreigend zet Diëgo een stap naar voren.
"Rustig, Diëgo. Onze Kate is fel, daar houd ik wel van."
"Ik ben van helemaal niemand. Wie bent u?"
"Ik, ben Kirmaan." Ik kan een klein lachje niet onderdrukken. Stom. Stom, stom, stom. Langzaam verandert de sfeer in de kamer. Van kalm naar gespannen. Van relatief veilig naar gevaarlijk.
"Lach jij mij uit?" Zijn ogen schitteren gevaarlijk. "Breng haar naar haar kamer."
Opnieuw trekt Diëgo mij door tientallen gangen. In stilte bereid ik mij alvast voor op de onvermijdelijke duisternis in mijn cel. Stom. Stom, stom, stom. Ik blijf het herhalen. Het was ook stom. Als ik hem kon bespelen, hem een rad voor ogen had kunnen draaien, had ik misschien vrij kunnen komen. Het is kinderlijke hoop, dat weet ik ook wel, maar toch. Tot mijn grote verbazing stoppen we voor een hoge deur. Diëgo opent hem en gooit me ruw naar binnen. Het eerste wat me opvalt, is het licht. Het is niet zo donker als in mijn voormalige cel. Nog steeds is er geen licht in overvloed, maar je kan wel degelijk iets zien. De rode gordijnen voor de ramen geven het een rode gloed, wat ook weer reflecteert op de rest van de kamer. Ik strompel naar het grote bed dat toe, plof erop neer en binnen tien seconden val ik uitgeput in slaap.De volgende ochtend word ik gewekt door de eerste zonnestralen die de kamer binnenvallen. Langzaam kom ik overeind en kijk om me heen. Gisteren was ik zo moe dat het grootste deel van de kamer aan me voorbij is gegaan, maar nu ik om me heen kijk, snap ik niet hoe dat heeft kunnen gebeuren. Het grootste deel van de kamer wordt bekleed met een oosters tapijt, de muren hebben hetzelfde oosterse thema en midden in de kamer staat het enorme ronde hemelbed waar ik op zit. Ik realiseer me ook dat letterlijk óveral kussens liggen. Op het bed alleen liggen er al minstens twintig en dan liggen er ook nog kussens op de bank, op de stoelen en op de grond. De kussens verschillen allemaal bij elkaar; groot, klein, opvallend, onopvallend, met franjes, zonder franjes, met kwastjes, zonder kwastjes. Het enige wat ze gemeen hebben is hun kleur: In ieder kussen komen de kleuren rood en goud terug.
Een klop op de deur onderbreekt mijn observatie en herinnert me weer aan het feit dat ik hier opgesloten zit.

JE LEEST
Lost in Time (Dutch//Nederlands)
Aventura"Op deze wereld bestaan er verschillende mensen. Jong, oud, lang, kort, rijk, arm, gewoon en mysterieus. Mysterieus, zo zou ik mijn leven kunnen beschrijven. Of tenminste, mijn leven vanaf het moment dat die groenogige gek in mijn leven kwam." Kate...