Hoofdstuk 4

20 3 1
                                        

Midden in de nacht schrik ik wakker doordat er iemand ongenadig hard op mijn deur staat te bonzen. Slaperig kom ik overeind en laat even tot me doordringen waar ik ben. Dan hoor ik Nina roepen. 'Wakker worden, slaapkop! We zijn bijna in het Capitool!'

Ik wrijf in mijn ogen. 'Bijna is nog niet helemaal.' Mompel ik en dan wat harder: 'Ik kom al!' Ik laat me uit mijn bed glijden en schuifel door het donker naar de muur. Ik doe de lamp aan en knipper een paar keer tegen het felle licht. Dan doe ik mijn kledingkast open. Ik bekijk wat kledingstukken en ga uiteindelijk in een donkerrode trainingsbroek en een wit T-shirt met zwart leren jack naar de keuken. Nina, Jetty en "Eleanor" staan er te ontbijten. Jetty drukt me vlug een appel en twee boterhammen in mijn handen. 'Eet dit snel op, zodra we op onze bestemming zijn is er geen tijd meer voor dingen als ontbijt.'

Ik wil protesteren tegen dit kleine beetje voedsel voor een man als ik maar ik hou wijselijk mijn mond. Nina staat me om een of andere vage reden afkeurend aan te kijken. Ik neem een hap van mijn brood en begin hardop te kauwen. Jetty probeert het te negeren maar haar neus rimpelt als blijk van haar afkeer. Eleanor staart me zwijgend aan. Ik zucht dramatisch en wend me af. Hoe hou ik het ooit uit met alleen maar vrouwen om me heen?

Ik verplaats me met alleen de appel nog in mijn handen naar het huiskamer-gedeelte. Ik pak een stoel en ga bij het raam zitten. Zwijgend kijk ik naar de lucht waar in de verte al een rode schemering te zien is. De omgeving wordt me plotseling onttrokken aan het oog door een tunnel. Net als ik denk dat er nooit een eind aan gaat komen rijden we eruit. Onwillekeurig houd ik mijn adem in.

Ondanks het duister van de nacht is het Capitool duidelijk te zien. We rijden op een soort brug met onder ons een duizelingwekkende waterval. Aan onze linkerkant is eerst een grote sluis en daarachter het Capitool. En ik heb nog nooit zoveel lichtjes gezien! De verschillende gebouwen zijn goed van elkaar te onderscheiden door duizenden kleurrijke lampjes! Ik zie wolkenkrabbers, flatgebouwen, bioscopen en theaters maar er is één ding dat mooier is dan al het andere bij elkaar. Het presidentiële paleis. Het is niet eens zo hoog maar het valt me onmiddellijk op door de breedte. Het neemt een heel stuk van mijn zicht in beslag. Erbovenop is een kunstige versiering van allerlei standbeelden en kapels gemaakt. Ik kan mijn ogen niet afhouden van de zacht glimmende gouden kleur die door de verlichting nog meer opvalt.

Ineens merk ik dat Eleanor naast me staat. 'Mooi hè?' Glimlacht ze maar ik hoor een bittere ondertoon in haar stem. Ik kijk haar wantrouwend aan. 'Hoezo mooi? We hebben het wel over het Capitool hoor.' Antwoord ik schamper. 'Dat is niet gewoon mooi, het is prachtig en zelfs dat is nog zwak uitgedrukt. Het is...' Ik zoek naar een beter woord. '...Volmaakt. '

'Je voelt je er zeker al helemaal thuis, is het niet?' Vraagt ze. Ze wacht mijn antwoord niet af maar schudt haar hoofd. 'Dat heb je altijd met die Beroeps. Zodra ze het Capitool zien krijgen ze het gevoel dat ze er horen, dat ze al hun hele leven iets gemist hebben en dat ze het hierin vinden.' Ze maakt een weids gebaar met haar armen. 'Nou, ik kan je vertellen dat wanneer je de Spelen wint en zelf mentor wordt...' Ze kijkt me doordringend aan. '...je er wel achter komt dat je beter had kunnen sterven dan een lievelingetje van het Capitool worden.' Ik open verontwaardigd mijn mond om haar van repliek te dienen maar ze geeft me de kans niet. Ze draait zich snel om en vlucht de kamer uit, van het raam weg alsof ze er bang van wordt. Ik weet niet waarom maar ik krijg een beetje medelijden met haar. Ik frons mijn wenkbrauwen en laat het gevoel van me afglijden. Waarom moet uitgerekend ìk nou zo'n waardeloze mentor krijgen? Voor advies heb ik haar totaal niet nodig, maar sponsors zouden maar wat handig zijn.

Ik blijf uit het raam kijken totdat we het station inrijden. Bij eerdere Spelen zag ik altijd veel mensen staan om de tributen te verwelkomen maar tot mijn teleurstelling is dat nu niet zo. Als ik Jetty ernaar vraag antwoordt ze dat het door het vroege tijdstip komt. We worden door een luxe auto opgehaald. Bewonderend laat ik mijn hand over de glimmende blauwe motorkap gaan. De chauffeur grijnst tevreden. 'Een knap staaltje is dat, hè?' Ik kijk hem even aan en knik.

'Geniet er maar van zolang het nog kan.' Zegt hij en meteen boren mijn ogen zich in de zijne. Hij doet alsof hij schrikt en doet zijn handen afwerend in de lucht. Ik bijt op mijn lip en hou een rotopmerking in. Die vuile grijns staat nog steeds op zijn gezicht. Jetty gebaart vanuit de auto dat ik in moet stappen. Met tegenzin gehoorzaam ik, ineens vind ik het maar een patserig lelijk ding. Ik schuif op de achterbank naast Nina die blijkbaar iets heel grappig vindt want ik hoor haar gniffelen. De chauffeur stapt ook in en hij geeft me in de achteruitkijkspiegel een knipoog. Ik kan me niet meer inhouden en steek subtiel mijn middelvinger naar hem op. Zijn uitdrukking verandert in geschokt. Gelukkig heeft Jetty het niet gezien maar Nina helaas wel. Ze kijkt me net zolang aan totdat ik terug kijk.

'Eindelijk ga je de goede kant op.' Fluistert ze en ik krijg kippenvel van de blik in haar ogen. 'Wat bedoel je?' Vraag ik terughoudend. Ze wendt haar blik af maar haar teleurstelling is onmiskenbaar. 'Je moet nog veel leren, Raymond.'

Daar denk ik even over na. Plotseling zie ik de kans om iets te vragen wat me al even bezighoudt. 'Hoe oud ben jij eigenlijk?'

Het duurt even voordat ik antwoord krijg. 'Over een week word ik zestien. ' Zegt ze dan zacht. Ik slik en kijk weg. Dit is de eerste keer dat ik aan de Hongerspelen twijfel. Een heel klein beetje maar.

Just a gameWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu