'Kom hier, kom hier, prinses!'
Zo snel ze kon, rende ze naar haar vertrek. De raadsheer liep achter haar aan, terwijl hij een zieke lach op zijn lippen staan had. Ze wist wat haar te wachten stond als hij haar te pakken kreeg. En als hij haar te pakken kreeg, zou Sellaerne zichzelf nooit meer in de spiegel willen aanzien.
De deuren waren al in zicht. Ze keek even achter zich en zag dat hij net van achter de hoek gelopen kwam. Het kleine mannetje kon gelukkig niet snel lopen, dus ze had net genoeg tijd om de deur open te slaan en die terug dicht te klappen. De deuren rammelden, terwijl hij aan beide deuren trok, maar ze had net een metalen staaf die bij het haardvuur lag tussen de deurklinken geramd. Het zou niet lang houden, zeker niet als er wachten tegen de deuren zouden beuken.
Haar hart bonsde terwijl ze het korset in twee stukken sneed en na vijf minuten lag de rest van haar overdreven jurk op de grond. Onder de kast had ze een paar lederen laarzen verstopt. Ze greep ze en schopte haar muiltjes van haar voeten en trok het versleten leer aan haar blanke benen.
Ze rende terug naar het halletje en duwde het wandtapijt opzij; ze verdween achter het verborgen deurtje. Zo stil ze kon - ze hoorde de schreeuwen aan de andere kant van de dubbele deur al - rende ze naar de grote vergeten ruimte en deed ze het bovenstuk van een harnas en een helm aan. De kilo's verpletterden haar bijna, maar ze wilde niet verkracht worden. Ze greep een boog en een koker met pijlen en een zwaard dat nog in de schede zat. Nadat ze alles aan haar lijf had bevestigd, bond ze haar witte haren samen met een lederen koord.
Ze greep de donkerblauwe mantel dat ze aan een speer had gehangen en bevestigde deze aan haar hals en trok de kap over haar hoofd.
Daarna nam ze de twee zadeltassen - allebei gevuld met voedsel - en rende ze de gang in die haar naar de stallen zou leiden. Ze wist exact welk paard dat ze hoorde te nemen, een bruine met een zwarte kruin, een ras dat het meeste voorkwam in het Palmerijnse Rijk. Hoe minder ze opviel, hoe beter. Op het bovenstuk van het harnas stond spijtig genoeg het wapenschild van Paridaen, maar dat kon ze op een ander moment van het metaal wassen, gelukkig.
De koninklijke jagers moesten op dat moment van de dag nog vertrekken en een aantal paarden stonden al gezadeld en vertrekkensklaar.
Sellaerne kon haar geluk niet op en beklom zonder te twijfelen een van de paarden, nadat ze de zadeltassen had bevestigd. Ze maakte aanstalten te vertrekken toen ze een stalknecht 'Hé! Jij daar! Dat paard is niet-' hoorde roepen. Meteen galoppeerde ze weg, vooraleer hij de garde zou kunnen waarschuwen. In een van de zadeltassen had ze een beurs muntstukken, waarmee ze voedsel zou kopen wanneer haar beperkte voorraad aan een einde zou zijn gekomen. Ze wist dat haar witte haar er veel al aan zou doen om haar te verraden, dus ze dacht dat het misschien handig zou zijn het af te knippen, of om het haar in modder te wrijven, want een mantel deed niet alles.
Daar had ze al even geleden aan gedacht en haar gedachten waren er op dit moment ergens anders bij, want achter haar rees een enorme stofwolk uit de grond, de soldaten van de koning waren spijtig genoeg snel van reactie.
Meteen spoorde ze het dier aan om te versnellen, en het gehoorzaamde. Ze raakten al snel over een lage heuvel en eenmaal ze aan de top waren geraakt, keek Sellaerne achter zich en merkte dat de wolk steeds dichter en dichterbij kwam, toen ze voor zich keek zag ze een groot en uitgestrekt woud, dat zich tot aan de horizon uitstrekte. Geen een van die opties leken haar ideaal, dus ze keek naar links, waar een groot meer lag en dan naar rechts; een stad. Haar achtervolgers zouden haar mogelijk verliezen als ze naar de stad ging, maar die leek zo ver te liggen. Ongeduldig hinnikte het paard, het stond duidelijk niet graag stil. Ze wist dat ze nu een keuze moest maken. Voor een tweede keer wierp ze een blik over haar schouder, de soldaten schreeuwden kwaad, terwijl ze aansporingen riepen naar de dieren die ze bereden en waren bijna aan de voet van de kleine heuvel. Ze gaf een duw in de buik van het paard en het reageerde meteen. Ze leidde het naar haar beste optie: de stad.
Straks zou ze de stad verlaten en naar het Oosten gaan, eenmaal het donker zou zijn, om ervoor te zorgen dat ze veilig genoeg was om te reizen, terwijl ze wist dat ze waarschijnlijk gezocht zou zijn doorheen het hele rijk van de Palmerijnen. Nieuws zoals dit verspreidde zich altijd razendsnel. Binnen een dag of twee zal Lyonis het weten, hij zal alles laten vallen om haar te zoeken en zichzelf in gevaar brengen. Ze haatte het. Nu moest ze zich ook nog verwijten zenden omdat ze haar broer extra stress bezorgde.
Waarom had ze al die jaren geen deftige rust, zoals de gewone burger? Ja, burgers hadden de luxe niet die een prinses kreeg, maar die waren gewoon op hun gemak en konden voor zichzelf beslissen. Ze beet op haar tong, en haar gedachten keerden terug naar de realiteit.
'Juu!' schreeuwde ze en ze gaf een energieke trap in de zij van het gezadelde dier. Met een luide hinnik snelde het dier de heuvel af, in de richting van de stad - mogelijk de hoofdstad van de Palmerijnen, dit hield een groot voordeel, want in zo'n grote stad zouden haar achtervolgers haar moeilijk kunnen bijhouden.
Het was alsof ze de grond kon horen daveren, zo snel dat de hengst ging. Door de snelheid leek de tijd veel trager te gaan.
Ze keek naar achter en zag in de zonsondergang de verre gestalte van het koninklijke paleis. Was het al zo laat? Ze herinnerde zich dat het pas april was en dat de avond nog snel viel.
Door de schaduwen van de schemering begonnen haar ogen steeds meer te zien. Voor het eerst in maanden leken de goden haar eindelijk toe te lachen, in de nacht was ze immers in haar voordeel. Ze had het Zicht waardoor ze ook toekomst-fragmenten kon zien en wist wat er mogelijk zou gebeuren als ze een bepaalde keuze maken. Zo wist ze bijvoorbeeld dat haar broer bezorgd zou zijn, maar ze had nooit kunnen voorspellen wat Paridaen haar thuisland zou aandoen...
Bij een klein bosje bij de stadspoorten steeg ze af, want het begon te donker te worden en de hengst begon te weinig te zien. Sellaerne besloot dat het laat was en dat het beter was om nu te slapen, daarna zou ze een uur of twee voor de zonsopgang vertrekken naar Oosten. Misschien een duif proberen te onderscheppen?
Ze maakte de teugels van het dier vast aan een stevige tak en maakte een vuurtje, het was koud. Gelukkig was het Palmerijnse Rijk een redelijk kille plek waardoor de mantel die ze droeg ook veel dikker was dan een Tionische mantel zou zijn geweest.
'Mogen we bij jou komen zitten?' Haar hart sloeg een slag over.

JE LEEST
Zon en Maan
FantasyIn een andere realiteit hebben de Maan en van de Zon kinderen. Deze mensen zijn meestal zeer getalenteerde magiërs die de energie van of deze goden kunnen gebruiken. Ze zijn met acht. Koen is een simpele staljongen met talloze dromen over heldhaftig...