2. Daarom heb ik dus een hekel aan leeftijdsgenoten

2.1K 11 0
                                        

De eerste maandag na de missie-uitleg vertrok ik, vroeg in de ochtend, vlak na het ontbijt. Ik moest eerst naar een andere school dan ik kende. Een of ander collegeding in Amsterdam. Vanaf daar ging ik met de kinderen van die school in de bus naar Groningen, waar het VAMP gebouw was. Het schoolreisje was georganiseerd voor een  gymnasium 3 klas. Geen wonder, voor VAMP zou je wel aanleg voor moeilijke dingen als DNA en zo moeten hebben. Ik had veel van ze verwacht, ik bedoel, gymnasium! Maar nee hoor, weer zat het in mijn pietluttige leventje niet mee. De kleutertjes moesten persé muziek in de bus. Hoempa, hoempa, beng, beng. Ik hoopte dat ik niet doof zou worden. Ook scholden ze elkaar uit, zelfs boven de muziek uit, voor dingen die ik niet zal herhalen, en lagen om de domste dingen in een deuk. Ik had medelijden met de leiding, die ongeveer in het midden van de bus zat, en de buschauffeur. Ik zocht een plek vooraan waar ik alleen zat en wachtte, vreselijk ongeduldig door mijn hyperactiefheid, tot de bus zou vertrekken. Ik was overigens niet de enige die vooraan was gaan zitten. Aan de andere kant van de bus waren vier stoelen bezet met mensen die er vrij nietszeggend uitzagen, mensen zoals ik. Er was een klein meisje met glanzend blond haar die er jong uitzag maar toch trekjes van iemand rond de twintig had, een meisje dat zenuwachtig in het rond keek alsof elk moment een bullebak van achter in de bus naar haar toe kon lopen om haar een klap te verkopen, een jongen met een witte huid en zwart haar die er als enige in de hele bus gothic uitzag en een jongen met lang blond haar die een koptelefoon op had en de hele tijd nerveus met zijn vingers op de leuning tikte. God, wat was het warm, trouwens. Ongelooflijk.

   Naast mij zat niemand. Helaas bleef die lege plek naast me niet. Vlak voor de bus zijn deuren sloot kwam er een jongen binnen stormen. Ik besteedde er in eerste instantie geen aandacht aan, totdat hij, ongevraagd, naast me neer plofte. Jeetje, alsof hij me kende of zo! Ik had geen zin om te praten, mocht hij zomaar een vreemde ingeving krijgen die hem vertelde dat ik misschien wel interessant was. Natuurlijk was ik dat wel, maar tegen de ‘gewone mens’ was ik, volgens de AIVD, verplicht om leugens te vertellen, waardoor ik dus heel saai overkwam. Gewoon een willekeurige scholier met een doodnormaal scholierenleven. Dus zette ik maar mijn mp3 speler aan en mijn zonnebril, die ik uiteraard droeg, hield ik op. Ik zette het volume extra hard en draaide mijn hoofd naar het raam. Rust. Beethoven’s Air on the G String spoelde over me heen als een heerlijk zeebriesje en dat was echt pure rust, ontspanning, hmm. En de zon die door het raam scheen was warm, zo warm dat ik er slaperig van werd. Het was eind april en de zon scheen al behoorlijk fel, zo fel dat het echt al aardig warm werd. Gelukkig was het nog geen zomer. Ik hou niet van zomer. Geef mij maar ijskoude winters met heel veel sneeuw en ijs en vorst. Vriesweer. Dat hebben we hier overigens bijna nooit, maar het gaat om het idee.

   Ik was er van overtuigd dat niemand mijn muziek, wat overigens klassiek, was mocht je je er niet bewust van zijn dat Beethoven een klassieke componist was, wat mij erg sterk lijkt maar wat blijkbaar toch mogelijk is (dat je je daar niet bewust van bent, bedoel ik), want dat, naast verschillende varianten van rock, was het enige waar ik naar luisterde, hoorde omdat de oordopjes stevig in mijn oren zaten, en ik niet verder nadacht. Tot ik aangestoten werd. Nors keek ik om, recht in de heldere, groene ogen van de jongen naast me. Ik vergat te ademen en stikte bijna. Zelden, of eigenlijk nog nooit, had ik zulke mooie, heldere, diepe ogen gezien. Van die ogen waar je in verdrinkt als je te lang blijft kijken, en lang kijken deed ik zeker, of in ieder geval voor mijn gevoel. Waarschijnlijk was het in werkelijkheid nog geen kwart seconde maar je weet misschien wel hoe dat gaat, dat een bepaald moment echt wel een eeuw kan duren. Zo relatief is tijd.

“Kun je die herrie van je niet wat zachter zetten?” vroeg hij toen, fronsend. Meteen was ik verlost uit de eeuwige greep van zijn ogen en staarde boos terug. Ik gromde inwendig. Niemand beledigde mijn geliefde klassieke muziek.

“Dude, wát? Hé, als je er last van hebt rot je maar op en ga je ergens anders zitten!” antwoordde ik. “Er is genoeg plaats en niemand heeft je gevraagd hier te komen zitten.”  Ik sloeg mijn armen over elkaar en keek weer de andere kant op terwijl ik ‘eikel’ mompelde. Toen hoorde ik hem, zelfs door mijn muziek heen, grinniken. Verbaasd keek ik op.

VAMPWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu