Hoofdstuk 5.

508 7 3
                                    

5. 

 Ik liep door het park, gedoken in mijn warme winterjas. Ik liep naar het bankje toe en ging zitten.

In gedachten gezonken keek ik uit  over het meer. 

Ik had weken niets meer van Wessel gehoord. Toen ik wakker werd was hij er niet meer.

Ik blies uit, mijn adem vormde een ademwolk.

De rillingen schoten door mijn lichaam heen. Waarom liet hij niets van zich horen? 

Had ik het mezelf allemaal maar verbeeld?

  Ik hoorde een knal verderop. Ik liep er naartoe.

Er stonden allemaal mensen er omheen. Ik liep door de menigte door en ik zag een jongen op de grond liggen. Om de jongen heen lag bloed.

Een meter verderop lag zijn fiets.

'Heb je het gehoord? Die auto is gewoon weggereden,' zei een man die naast mij stond. Hij stond tegen een klein, mollig meisje te praten.

Ik liep naar de jongen toe en keek naar zijn gezicht. Zijn gezicht kwam me bekend voor.

Ik dacht diep na. Hij was stevig gebouwd met zwart haar.

Mijn adem stokte.

Het was één van de jongens die Wessel die ene nacht vast hielden.

Hij zag lijkbleek, hij was dood.

  Sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden, de vlokken die het bloed raaktten kleurden rood en smolten niet veel later.

'Wat een zielige vertoning. Wie het laatst lacht, lacht het best,' Wessel stond naast me en keek geamusseerd naar de jongen.

'Heb jij dit gedaan?' mijn stem sloeg over. Ik wist niet of ik veilig of doodsbenauwd bij Wessel moest gaan voelen.

'Helaas niet,' zei Wessel, met een schuine glimlach op zijn gezicht.

Ik rilde. Gedeeltelijk door de schrik en gedeeltelijk door de kou.

'Ik moet je wat vertellen,' Wessel zat ineens op de buik van de jongen.

'Wat doe je? Doe niet zo disrespectvol,' snauwde ik hem toe.

Hij stond ineens naast mij.

'Wat jij wilt.'

We zaten op mijn kamer. Wessel voelde zich al gauw thuis en nam plaats.

'Nou vertel,' zei ik, terwijl ik mijn jas uitdeed en op mijn bed ging zitten.

'Ik moet je wat bekennen,' Wessel schraapte zijn keel en staarde naar een vaste punt op de muur.

'Wij moeten de daders niet op laten pakken. Ik had die gedeelte gelogen, want ik was bang voor als je de waarheid kende af zou haken,' Wessel bleef mijn blik ontwijken. 

'Hoe bedoel je?' Ik zette grote ogen op, uit ongeloof.

'We moeten er voor zorgen dat hij niet mijn doodsoorzaak is.'

'Waarom niet helemaal voorkomen?' 

'Dat is onmogelijk. Het was mijn lot om te sterven. Als ik het ontloop dan kan het fitale gevolgen hebben. Je rommelt dan als het ware met het verleden, waardoor de toekomst kan gaan veranderen,' Wessel keek neer, terwijl hij het zei. 'En dat kan maar op één manier gedaan worden.'

Wessel keek me aan en ik zag de ernst op zijn gezicht staan.

'Je moet zelfmoord plegen,' fluisterde ik.

 'Eigenlijk moet jij dat doen,' zei Wessel.

'Gebeurd er dan niets met mijn lichaam?' vroeg ik wanhopig.

'Niet met die van jou, maar wel met die van mij.' 

'Laten we het dan maar snel doen,' zei ik, met twijfels in mijn stem.

Ik was bang voor hoe het zou zijn. Ik was bang dat het net als mijn vorige dood ging. Ik was bang te mislukken. 

One step.Waar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu