Hoofdstuk 2.

560 9 0
                                    

2.

Ik liep naar beneden, waar mijn moeder het ontbijt klaar legde. 

Ik zat tegenover mijn moeder en ze keek me aan alsof ze een vraag overwoog te vragen. Mijn moeder schraapte haar keel waardoor ik gedwongen op moest kijken. 

'Heb je hem gezien?' Mijn moeder sloeg haar blik van me af en concetreerde op een kruimel op haar bord.  

'Wie?' Ik wist wie ze bedoelde, maar ik wachtte op bevestiging. 

'Je vader.' Haar stem brak, ik keek naar haar en knikte enkel. 

'Heeft hij iets gezegd?' Mijn moeder zette grote ogen op, net als een klein kind dat net nieuw speelgoed kreeg. Ik wist wat ze dacht, ze wou bevestiging van haar gedachtes. Ze wou weten of hij naar haar vroeg. 

'Hetzelfde als de andere keren,' Ik keek recht in haar grote groene ogen. Ik twijfelde of ik het moest vertellen. Afgelopen nacht zat hij weer op mijn bed, maar dit keer was het anders. Hij straalde negatieve-energie af. Hij keek me aan met een blik die ik niet kon ontcijferen. Een blik dat me verlamde, ik kon geen kant op. Hij bleef maar mompelen en toen wist ik wat hij bedoelde. Hij was eenzaam in de andere wereld. Hij wou ons erbij hebben.  

Hij wou dat wij zouden sterven. 

Ik kreeg de rillingen bij het idee. 

'Precies hetzelfde als de andere keren: Ik hou van jou en zorg goed voor je moeder. Zulke dingen,' loog ik.

Mijn gedachtes waren niet bij op school. Het ene les uur vloog na het andere. Vak na vak, zonder enig bewustzijn. Mijn gedachtes waren bij afgelopen nacht. Maar één ding wist ik zeker; ik wou hier van af. Elke nacht werd het steeds maar erger, elke nacht was een nachtmerrie.
Ik pakte mijn spullen in mijn rugtas in: sokken, broeken en de belangrijkste benodigdheden.
Ik sloop de trap af en legde mijn hand op de klink van de achterdeur.
'Waar ga jij heen?' het was zijn stem. Het zweet brak uit en ik draaide me langzaam om. Hij zat op het aanrecht en keek me aan. Maar dit was hij niet. Ik wist het zeker.
'Wie ben jij?' vroeg ik zo ontspannen mogelijk. Hij mocht niet weten dat ik bang was.
'Edith,' hij sprak mijn naam uit alsof hij over een lekkernij had. 'Dat weet je toch?'
'Nee, ik weet het niet. Jij bent mijn vader niet. Wie ben jij?' mijn stem sloeg over.
Hij liep mijn richting op en bleef voor me staan. Hij kwam zo dichtbij dat ik terug moest deinzen.
'Misschien zie je me liever zo?' zijn huid vervormde, net alsof hij in brand stond. Ik slaakte een kreet.
'Ik denk wel dat dit beter is, toch?' hij was in de laatste verschrikkelijke seconden veranderd in Becca. Becca was een meisje dat bij mij op school zat.
'Ik wil je echte jij zien. Wie ben jij?' ik wou hier weg, weg van dit huis. Ik wou weg van dit wezen.
Hij vervormde zich. Ik wendde mijn hoofd af om dit niet nogmaals te hoeven zien.
'Is het te smerig voor je?' fluisterde hij in mijn oor.
Ik hoorde zijn voetstappen, hij liep naar achter. Ik keek op en ik zag een jongen staan. Hij was tenger en bleek. Hij had zwart haar dat half over zijn ogen hing. Hij straalde woede af. Hij was typisch een jongen dat bij mij op school gepest zou worden.
'Hallo,' zei hij met een stem dat totaal niet bij hem paste.
'Hallo,' zei ik. Ik moest duidelijk van de schrik bij komen.
Ik kende hem. Hij zat bij mij op school.
Het was toen zomer, toen ze het meldde. Een jongen, dat mij nooit was opgevallen, uit het zelfde jaarlag was gestorven aan zijn verwondingen. Het gerucht ging dat hij in elkaar was geslagen, maar sommige beweerde dat het zelfverminking was. Eén ding wist ik zeker; hij was wanhopig.  


One step.Waar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu