En zo ging Bellerophon op weg, naar Thespiae. De prins beklom steile hellingen waar geen mens zich ooit gewaagd had, hij doorkruiste moerassen en wouden, hij zwom door rivieren en meren en werd meermaals gevangengenomen door uitheemse, vreemde volkeren die hem voor een vijand aanzagen. Vertrouwend op de hulp van de goden redde Bellerophon zichzelf steeds uit deze benarde situaties. Hij kwam na een lange odyssee aan bij de voet van de berg Helikon, waarna hij zich een klimuitrusting maakte van bladeren en hennep. Het duurde drie dagen vooraleer hij ergens aankwam, waar staan mogelijk was en waar misschien een vijver zou kunnen liggen. En ja, daar was hij aangekomen op een open plek, omgeven door bomen en groen. In het midden dezer plek lag een kristalhelder meertje in de vorm van een hoefijzer, waarboven zuiver water uit een bron naar beneden klaterde.
Het weer was geweldig; de zon scheen en er was een licht briesje, dit maakte de situatie bijzonder zwoel en Bellerophon zette zich neer onder een knoestige olijfboom, leunend tegen de stam. Daar wachtte de prins enkele uren op een teken van het paard Pegasus, maar hij kwam niet. Het werd al avond, de schemering kwam aan de hemel en weldra zou Morpheus de prins weer in zijn armen nemen. Er wordt gezegd, dat prins Bellerophon een jaar lang op de berg Helikon heeft gewacht op het paard Pegasus. (Let wel: dit is natuurlijk zeer sterk te betwijfelen. Waarschijnlijk was het slechts één nacht, hoogstens een paar dagen.) Bellerophon werd gewekt door het klapwieken van vleugels; hij hoorde hoefgetrappel, gehinnik en het klappen van vleugels; zo sterk, dat het niet van een vogel kon zijn. De prins opende zijn ogen en ja, daar stond het paard Pegasus, in zijn volle glorie te schitteren; hij dronk water uit zijn prachtige vijver die hij zelf geschapen had. Langzaamaan ging Bellerophon toe naar Pegasus, maar het paard bemerkte hem en begon te steigeren; een woest gehinnik rees op. Maar de prins gaf niet op. Hij probeerde Pegasus zacht te benaderen en hem aardige woorden toe te spreken, maar het werkte niet. Het paard Pegasus was werkelijk niet te temmen.
Toen viel Pegasus' blik op het gouden toom dat Bellerophon in zijn hand had. Als vastgegrepen door een duistere macht, hinnikte Pegasus uit spijt en hij legde zijn hoofd neer. De prins legde het gouden toom in Pegasus' bek, waarna hij hem zo aansprak: "O Pegasus, wonderlijkste en geweldigste aller paarden, ga met mij naar een verre streek, waar een vreselijk monster alles vernietigt: wij twee zijn door de goden uitverkoren dat beest te vermoorden!"
Bellerophon besteeg Pegasus, hij nam de gouden teugels in zijn handen, en hij sprak het paard zo toe: "Pegasus, fantastisch vliegend paard, vlieg, en breng mij naar Lycië!" Onmiddellijk gehoorzaamde Pegasus; hij vouwde zijn vleugels open, begon ze rustig te bewegen, en ja, daar vlogen ze!
