Voor ik het weet lig ik op de grond en staat er een horde mensen rond mij. Sommige mensen herken ik van daarstraks, het zijn mensen van de pers. Ze trekkenfoto's en praten door elkaar. Ik vraag me af hoe ze binnen zijn gekomen. Ik wil iets rechter gaan zitten, dus een aantal mensen helpen me even recht. Eens ik recht zit beginnen ze me allerlei vragen te stellen maar ik wil helemaal niet antwoorden, ik wil gewoon alleen zijn, met rust gelaten worden. Ik wil weg zijn van de wereld.Ik voel dat mijn ademhaling veel beter wordt, en ik kan weer nadenken. Een koude rilling kruipt over mijn rug, wat als ik de moordenaar ken? Wat als het iemand is die ik vertrouw? Ik besluit om het zekere voor het onzekere te nemen en niemand meer te vertrouwen.
Dan kijk ik op, nog steeds alle ogen op me gericht, ik wil niet weten hoe ik er nu uitzie. Plots bedenk ik me dat ik hier weg wil, dus sta ik voorzichtig recht en loop weg. Mijn benen gaan automatisch heel snel en voor ik het weet ben ik er, de kapel. Ik duw de krakende deur openen zie de piano en de orgel. De stilte stelt me gerust. Ik ben er helemaal alleen. De tranen prikken achter mijn ogen, en ik besluit dat ik ze de vrije loop wil laten. Het kan me niets meer schelen,niets. Even later hoor ik opnieuw de deur kraken en schrik ik op, er komt iemand binnen die ik hier nog nooit eerder heb gezien, mijn maag keert, en een zeker gevoel van angst bekruitpt me, ik kan er niets aan doen, maar ik ben er niet gerust in. Ik deins een beetje achteruit, en laat zo per ongeluk een stoel op de grond vallen. Een luide bonk weerkaatst in de kapel. Ik schrik ervan. Ik voel mijn hartkloppen in mijn keel. Ik wil hier weg, ik wil naar buiten, maar de vrouw blijft voor de deur staan, er is hier geen ontsnappen aan. Wat wil ze toch van me?
De vrouw kijkt vol medelijden en haalt iets uit haar zak, een penning. Het angstgevoel verdwijnt als sneeuw voor de zon. "Mijn naam is Ruth", zegt de vrouw op een vriendelijke toon. Ze zet een paar passen in mijn richting en komt naast me zitten op een van de vele versleten stoelen in de kapel, die net als het gebouw zelf dringend eens aan vernieuwing toe zijn. Ze kijkt me aan op een doordringende manier en vraagt: "kende je haar goed?" Mijn antwoord is natuurlijk ja, en ik wil het haar zeggen, maar de woorden blijven steken in mijn keel.Uiteindelijk krijg ik een hese klank uit mijn keel die op een 'ja'moet lijken. Meer wil ik eigenlijk niet zeggen, maar de vrouw dringt er toch op aan, en ik denk dat het eigenlijk niet echt uitmaakt of ik het haar vertel of niet. Dus ik vertel haar alles. Hoe onze relatie begon, hoe gelukkig we waren, hoeveel mooie momenten we beleeft hebben, ik vertel haar alles. Tot slot stelt ze een vraag die me ontzettend kwaad maakt, en die mijn vertrouwen in haar een beetje wegneemt: "Waar was je gisterenavond tussen 9 en 10u?". Mijn antwoord klinkt bot: "ik was thuis, samen met mijn moeder, die voor die ene keer gelukkig was, televisie aan het kijken. U denkt toch niet dat ik haar heb... U weet wel wat ik bedoel? Ik spuw de woorden uit. Ze weet het maar al te goed, maar ik kan het niet uitspreken. Ik hield van haar, waarom zou ik zoiets doen? En waarom zou iemand anders dat doen?". Ik ben helemaal van slag, tranen vloeien over mijn wangen en heel even proef ik een zoute traan in mijn mond. De vrouw probeert me nog te kalmeren, maar ik sta op, laat de gevallenstoel op de grond liggen, en ga weg, ik heb haar niets meer te zeggen.
Ruth blijft alleen achterin de kapel. Ze staat met haar mond vol tanden, en de tranen prikken achter haar ogen. Zelf weet ze maar al te goed hoe het is als je iemand verliest door moord. Ze heeft ontzettend veel medelijden. Dit is deel van mijn job denk ze, maar het blijft moeilijk om mensen te ondervragen die net zo'n afschuwelijk nieuw te horen hebben gekregen.
