Rasta
“HELP” iemand roept om hulp!
Ik ren er snel heen, papa en oma volgen me.
“Mama! Help!” Het is Timmy! Hij verdrinkt bijna in het water!
“Blijf hier!” ik moet Timmy redden.
Ik ren gauw naar Timmy toe en spring het water in.
Hij is in paniek!
“Timmy! Klim op mijn rug!” hij doet wat ik zeg.
Ik zwem naar de overkant. Papa en oma volgen me naar de overkant.
Gelukkig, Timmy is veilig naar de overkant.
“Gaat het Timmy?” vraag ik aan hem.
“Ja, het gaat wel, maar ik heb heel veel water binnengekregen en ik voel me misselijk.”
“Wil je met ons mee? We gaan de groep zoeken.”
“Oke. Mama, wie zijn dat?” vraagt Timmy aan mij.
“Dat is mijn vader Spitfire en dat is mijn oma… eehm, papa hoe heet oma eigenlijk?”
“Ik heet Melisha” zegt oma.
“Oke, nou… dat is dus mijn oma Melisha.
“Rasta, is dit jouw kind? Want hij noemde je mama.” Vraag papa.
“Het is niet echt mijn zoon, maar hij is zijn moeder verloren toen de wolven ons een tijd geleden aanvielen en daarom mag hij me mama noemen.” Zeg ik.
Het word trouwens wel tijd dat we gaan slapen, de zon gaat onder maar we hebben geen veilige slaapplek.
“We hebben geen plek waar we kunnen slapen.”
“Ik weet een plek!” het is Timmy die het zegt. “Volg me maar.”
We volgen allemaal Timmy.
Hij lijdt ons naar een grotwaar het veilig uitziet.
“Laten we erin gaan.” Zegt papa.
Huh, Timmy blijft staan. Is er iets?
“Timmy, wat is er?”
“Ik…ik ben bang in het donker.” Ach, arme jongen.
“Ik blijf wel bij je.” Troost ik. Ik doe naar de anderen een gebaar dat ze de grot in kunnen.
Ik ga samen met Timmy een beetje voor de uitgang liggen, net ver genoeg dat we een beetje licht hebben.
Timmy valt in slaap. Ik blijf de hele nacht wakker. Opeens hoor ik een geluid, het geluid van een rennend dier, nee, meerdere rennende dieren. Een soort gemiauw. Wat zijn dat. Dan springt er iets voor de grot. Het kijkt me aan. Het lijkt net of zijn ogen lichtgeven. Er springt nog zo’n dier voor de grot, en nog een, nog een. Ze lijken wel met een gigantische groep te zijn. De beesten komen dichterbij. Er komt eentje uit de groep, hij loopt recht op ons af. Hij wil net op ons af springen als papa hem wegduwt. “Ren! Rasta, Timmy! Rem!” we rennen gauw de grot uit, maar een paar beesten achtervolgen ons. Dan komt oma naar ons toe. “Panters! De panters vallen aan! We moeten weg!” maar papa dan? Toch ren ik achter oma aan. Ze rent niet meer zo snel en aan haar gezicht kan ik zien dat ze pijn heeft, waarom?
“Mama, de panters zijn sneller. Wat moeten we doen?” ik zie geen uitweg. Wacht! “Oma, kunnen panters zwemmen? Onder water bedoel ik.” Ze kijkt me verbaasd aan. “Nee, ze kunnen niet zwemmen maar wel heel ver springen.” Dan heb ik een idee. “Timmy, oma, volg me! Ik weet wat!” ze galopperen achter me aan. Daar! Een grote sloot, en diep. “Oma, Timmy, spring in die sloot en zwem naar het midden. Blijf dan zolang mogelijk onder water.” Timmy springt meteen het water in en zwemt naar het midden. Maar oma blijft aarzelend aan de kant staan. “Oma! Spring! Je hebt geen keus!” ze springt net op tijd water in. De panters zien alleen mij nog. Ze komen op me af. Ik Galoppeer zo hard ik kan naar de bergen. Ik spring een meer in dus de panters kunnen me niet volgen. Ik zit midden in het meer als opeens een paar panters ook het water in springen. Ze konden toch niet zwemmen?
Zodra ik in het midden ben draai ik me om zodat ik de panters kan zien. Er zit er eentje vlak bij me. Ik zwem naar de overkant en klim de kant op. Misschien kunnen ze me nu niet volgen. Maar helaas, een paar panters zijn dicht bij de kant. Ik ren gauw weg. Dan zie ik iets vaags, het is grijs met witte strepen. Het is lang dus kan ik misschien de panters kwijt raken door er overheen te rennen.
Opeens zie ik twee lichten in het donker. Het maakt geluid, nog harder dan de panters. De panters schrikken en rennen weg. Ik sta verstijft van de schrik.
‘Toetoet! BAM’
