Hoofdstuk 9

260 20 5
                                        

Er giert een stem door een luidspreker die ik niet kan zien. Het is in ieder geval een mannenstem die me vaag bekend voorkomt. Hij telt af.

"Tien. Negen. Acht."

Ik besef dat ik over zeven seconden weleens dood zou kunnen gaan. Ik ga rechtop staan en richt mijn borstkas vooruit, in de hoop dat het me sterker zal maken.

"Zeven. Zes. Vijf. Vier."

Naast me maakt iedereen zich klaar om weg te sprinten. Ik besluit dat ook te doen en zak weer wat dieper op mijn vier poten, klaar om zo snel mogelijk weg te wezen. Maar waar ga ik heen? In ieder geval niet naar de woestijn.

"Drie. Twee."

Ik zou naar de berg kunnen vluchten, maar het meer ligt ervoor.

"Eén."

Het grasveld is ook geen optie. Te weinig beschutting.

"Nul!"

Ik zet me af en spring van mijn buis af. Mijn voeten raken de harde grond en ik sprint zo snel mogelijk weg, het bos in.

Ik ga zo snel ik kan, maar het voelt alsof het bos een eeuwigheid bij me vandaan ligt. Alles verloopt in slowmotion, en met elke stap die ik zet lijkt er een minuut te verstrijken.

Naast me rollen de tributen over de grond. Ze happen naar elkaar, doden elkaar. Er liggen wat lijken verspreid over het veld, en ik wil er niet naar kijken, maar ik doe het toch. Er liggen vogels, buffels en ook nog wat dieren die ik nog nooit gezien heb. Ik moet hier weg. Ik moet deze twee weken zien te overleven, het moet. Al moet ik er alles voor opgeven. De zon brandt op mijn dikke vacht.

Na een eeuwigheid duik ik de schaduw van het bos in. Het voelt goed, want in die hete zon kan ik het helemaal niet overleven. Ik vertraag mijn pas en kijk achterom. Niemand achtervolgt me, dus dat is goed.

Ineens besef ik dat ik met mijn vrienden een bondgenootschap zou sluiten. Ik ben bang dat ze het niet overleeft hebben, ik moet terug.

Maar wat nou als de andere tributen mij vermoorden?

Het kan me allemaal niets schelen. Ik heb het beloofd en zal me daaraan houden.

Ik sprint terug, terug naar de plek waar ik zojuist van weg ben gevlucht. Ik besef dat ik wel heel erg ver het bos in ben gerend, want ik zie geen sprankeltje licht meer dat erop wijst dat daar de zon ergens schijnt.

Ik moet ze vinden.

Mijn hele lijf trilt van de inspanning, als ik wanhopig zoek naar de open plek. Maar ik weet dat de kans klein is dat ik ze daar zal aantreffen, maar ja, niets is onmogelijk.

En dan zie ik ineens iemand langsrennen. Het is een vage schim van iets groots, hoewel ik echt geen idee heb waar het op zou moeten lijken. Ik heb eens een keer een boek gelezen over waanideeën. Die treden vooral op wanneer je een bepaalde ervaring of zo hebt gehad. Maar heb ik die ook weleens gehad? Waanideeën worden vaak vergeleken met halucinaties, maar het is net iets anders.

Ach ja, misschien is het ook wel een halucinatie. Wat maakt het ook uit?

De schim duikt opnieuw tevoorschijn. Het kan een andere tribuut zijn, of een vaag dier dat mij van kant wil maken, ontworpen door de mensen die over het bestuur van dit spel gaan. Want zij kunnen dat als ze dat willen. Eng idee.

Het duikt weer tevoorschijn. Deze keer komt het recht op me af, en ik duik weg voordat het mij te pakken krijgt. Maar in plaats van mij te laten gaan, komt het rechtstreeks op me af.

Waarom heb ik dit weer?

Ik zet het op een lopen. Het bos is redelijk dichtbegroeid, dus vol obstakels die mij tegenhouden. Elke keer moet ik weer een bocht maken of mijn pas vertragen, en het beest - of ding - komt steeds sneller op me af. Op een gegeven moment duik ik weg in een van de dichtsbijzijnde en beschutte bosjes die ik kan vinden. De schim rent langs me heen en ik krimp in elkaar om niet gezien te worden.

The wolf and the gamesWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu