Verdwaald visje

109 10 0
                                    

Lieze keek naar de spiegeling van de zon in het water. Ze kon nog steeds niet geloven dat ze zoiets ging doen. Ze nam een hapje van het stof dat Arend doorgaf. Ze moesten snel zijn, want de duur dat de stof werkte, was onbekend. Plotseling begon Lieze jeuk te krijgen in haar nek. Ze wilde krabben, maar een hevige pijn weerhield haar. Zachtjes aan groeiden er kieuwen aan hun nek. Ze moest even wennen aan de vreemde ademhaling. 'Zijn jullie klaar?', vroeg Arend. Lucas en Lieze knikten. Ze hadden het nog even moeilijk met praten. Op hun tempo wandelden ze samen het water in. Lieze nam haar laatste hap lucht en dook als een speer onder water. Tot haar verbazing kon ze alles zo helder zien als boven water. De vissen zwommen majestueus langs haar en zeepaardjes kriebelden haar benen. Ze had ooit gehoord van de mooie riffen aan de andere kant van de wereld. Maar dit was duizendmaal mooier. Voor haar zag ze Lucas en Arend vertrekken. Ze probeerde de jongens in te halen maar ze waren extreem snel. Ze probeerde haar smalle benen wat sneller te bewegen. Toch bleef de afstand groter worden. Het werden steeds kleinere puntjes. Waarschijnlijk waren ze in een gesprek gewikkeld en dachten ze dat ze volgde. Ze probeerde ook te roepen maar ze leken haar niet te horen. Uiteindelijk was ze zo moe dat ze besloot om op een rots naast een anker te gaan zitten. Ze zouden wel terugkeren als ze merkte dat ze niet meer kon volgen. Terwijl ze plaatsnam botste ze per ongeluk met haar voet tegen een scherp punt van het anker. Een straaltje bloed ontsnapte uit de zijkant van haar voet maar loste meteen weer op. Om het wachten wat leuker te maken, keek ze naar de vissen en ze kon sommige zelfs aanraken. Anderen waren dan weer te bang om in haar buurt te komen. Na een tijdje begon ze zich toch zorgen te maken. Ze kroop terug recht en vertrok weer richting de jongens. Ze zou hen wel tegenkomen. Tot haar verbazing kwam ze onderweg een gezonken schip tegen. Het had er eerst niet gestaan. Of ze had het misschien niet opgemerkt, maar er was iets vreemds aan. Ze wilde eigenlijk niet stoppen. Maar een glimmend ding trok haar aandacht. Hij lag verborgen in een gat in het schip. Ze zwom naar beneden en merkte dat het een kleine ring was. Hij was versierd met een zeester op de voorkant en op beide zijden stonden twee zeeluipaarden die de ster vasthielden. Ze schoof hem om haar vinger en bewonderde hem. Opeens klonk er een vreemd gekraak uit het schip. Ze besloot er geen aandacht aan te schenken en verder te zwemmen. Misschien vond ze wel een of andere mooie schat. Maar hoe verder ze zwom hoe kleiner haar hoop werd. Het schip zat vol algen en hier en daar een verdwaald visje. Weer klonk het vreemd gekraak. Het was alsof het schip in tweeën ging breken. Ze zwom terug, maar ze merkte dat ze zelf een verdwaald visje was. In paniek zwom ze verschillende gangen door tot ze uitkwam op een kleine kooi. Het was pikkedonker en er leek niemand in gevangen ze zitten. Alleen het gekraak en geklingel leek vandaar te komen. Ze probeerden dichterbij te komen. Net toen ze het wilde aanraken schoot er een grote tijgerhaai op haar af. Net op tijd kon ze terug zwemmen en ze slaakte een gil. Waarschijnlijk had hij het bloed van haar voet geroken. Het beest zette zijn tanden in het ijzer en zwierde het naar de andere kant van het schip. Zo snel als ze kon wurmde ze zich door de verschillende gangen maar ze wist op voorhand wie er al zou verliezen. Ze kwam uit op een kleine gang en tot haar geluk bleef de haai vaststeken. Zo kon ze een beetje voorsprong krijgen. Ze bereikte de uitgang maar het lintje van haar bikini bleef vasthaken. Hoe meer ze zich er probeerde uit te wurmen hoe meer het lintje vast kwam te zitten. Tevergeefs probeerde ze het los te krijgen. Verderop hoorde ze hoe het beest losgeraakt was. Uit paniek trok ze het lint kapot en zwom ze zo snel mogelijk naar de oppervlakte. Net beet de reusachtige haai naast haar voet en ze probeerde een tandje bij te zetten. Maar toen ze omkeek was het beest verdwenen. Arend en Lucas verschenen achter het beest. 'Lieze, je hebt geluk dat ik nog extra beschermingsstof had gemaakt toen je sliep.', grinnikte Arend. Maar Lieze leek het niet zo grappig te vinden. In shock zwom ze naar de twee toe en al huilend lag ze in Lucas zijn armen. Hij wreef over haar rug en trok haar naar zich toe. 'Ik wil niet klagen, maar we hebben niet veel tijd meer voor het stof is uitgewerkt.', zei Arend. Ze lieten elkaar los en zwommen hand in hand verder. 'Wees niet bang, je hebt mij.', zei Lucas bezorgd. Ze glimlachte en keek naar Arend. Hij zwom er maar zielig bij. Hij voelde zich waarschijnlijk eenzaam. Hoeveel jaren had hij wel niet onder druk gestaan? Met al dat gedoe over de eerste uitverkorene. Hij leek door te hebben dat ze staarde en hij glimlachte. Ze glimlachte terug en keek weer naar voor. Ze hadden nog een lange reis voor de boeg...

Thijs zat twijfelend op de bureau van Sarah. Ze konden vertrekken als ze wilden. Maar wat als Sirene wist dat ze alledrie haar plan doorhadden? Ze konden nooit op tegen een godin. 'Ik wil me niet moeien, maar is het niet beter dat jullie gaan?', zei Sophia, 'Jullie vrienden moeten toch weten wat er aan de hand is?' Thijs keek op. Ergens had ze gelijk. Lieze en Lucas wisten nog helemaal van niets. Het was beter dat ze gingen. Maar het zou opvallen als ze allemaal zomaar zouden arriveren. Ze hadden een beter plan nodig. Thijs keek richting Thomas die zat te denken op een stoel. Ze konden aankomen en zeggen dat ze Theodor waren tegengekomen? Ze konden doen alsof ze niets wisten, maar dan zouden ze natuurlijk wel een risico nemen. Maar hij had Lucas beloofd, in welke omstandigheden dan ook, op Neptunus proberen te raken. 'Thomas, ik denk dat we toch maar moeten gaan. Maar we moeten eerst Sophia afzetten.', zei Thijs.

'Ga je mij gewoon achterlaten?', zei Sophia verontwaardigd.

'Ik zie je nog wel een keer. Maar deze problemen zijn groter dan je denkt.'

'Alsjeblieft?', smeekte ze maar Thijs bleef nee-knikken.

'Ga jij maar gewoon naar huis. Vertel niemand over ons.'

'Dat werkt toch niet, niemand gelooft mij.'

'Des te beter.', zei Thijs terwijl hij haar naar buiten begeleidde. Thomas nam de doos met vuurvliegjes in zijn handen. Wanneer ze wat verderop Sophia uit het zicht zagen verdwijnen, slopen ze terug naar binnen. Maar beiden leken geen idee te hebben hoe het werkte. Thomas schudde even met de beestjes (die hevig protesteerde) maar er gebeurde niets. Na enkele seconden verward in het rond te hebben gekeken zagen ze toch de kamer lichtjes blauw worden. Thomas ging rustig zitten en wachtte tot de verschijning. Hij was deze vreemde dingen toch al gewoon. Uiteindelijk verscheen de prachtige godin voor hun ogen. Het verblindde Thijs even maar toch deed hij moeite om te kijken. 'Godin? We hebben Theodor gespot in Felidi. We zouden graag op Neptunus met u erover praten.', zei Thijs zo formeel mogelijk. Hij wilde haar niet in de ogen kijken. Dit kon altijd verraden dat hij loog. 'Thijs, jij draait zeker niet om de pot. Maar ik heet jullie welkom op mijn planeet.', glimlachte Sirene. Ook op Thijs zijn gelaat verscheen er een glimlach. Dit betekende dat de godin en Theodor elkaar nog niet ontmoet hadden. Maar hij moest op zijn hoede zijn. Ze kon een spelletje met hem spelen. De godin verhief haar armen. Thijs keek nog even achterom en wilde net schreeuwen dat de godin moest stoppen. Achter hem herkende hij het rode haar van Sophia vanachter de deur. Maar voor hij iets kon zeggen verscheen het binnenplein al. Hij was te verbaasd om een woord uit te brengen. Maar hij mocht niet afgeleid raken. Ze hadden al problemen genoeg. Waarom werden problemen altijd erger in plaats van opgelost?

Felidi 2: de terugkomst van TheodorWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu