12: Zonsondergang.

71 6 0
                                    

Mama en ik zaten beiden in ons eigen bootje. We keken samen naar de zonsondergang. De lucht was prachtig, er waren roze wolken en de lucht was oranje. Mama en ik hadden onze bootjes naast elkaar gezet op het water. Het prachtige water, waar we vroeger altijd in gingen zwemmen toen ik klein was. Mama gooide mij dan hoog in de lucht. Op het hoogste punt waren we altijd bang dat het niet goed zo gaan. Ik ging onderwater. Mama vond het altijd reuze spannend, tot ik weer boven kwam. 'Nog een keer!' riep ik dan, met de glimlach van een gelukkig kind. De zon ging al bijna onder. Mama en ik hielden elkaars hand vast. We telden af. '6, 5, 4..' Ik keek naar mijn moeder. Ze had vleugels gekregen. 'Dag schat,' zei ze. 'Ik ga naar een nieuw thuis, waar opa en oma ook zijn. Jij mag ook komen, maar pas over heel wat jaren.' En toen vloog ze weg. Naar de zon. '3, 2, 1..' fluisterde ik. De zon verdween onder de horizon. Net als mijn moeder. Ik zwaaide. 'Dag mam.'

Ik ben niet zo zeer verdrietig, ik voel me eerder leeg. Leeg van binnen. Papa is hier vanavond, hij komt voor me zorgen. HIj wou niet dat ik naar een kindertehuis moest. Ik durf niet naar huis te gaan. Alles daar herinnert me aan mama. Van de witte hortensia's tot het raamkozijn. Alles heeft zijn betekenis. Ik realiseer me niet dat ze voor goed weg is. Ik besluit toch even naar huis te gaan, om mijn schildersezel te halen en mijn kwasten. Als ik ze heb gehaald, ga ik naar buiten. Naar het meer waar ik altijd met mama ging zwemmen. Ik zet mijn schildersezel neer en begin te schilderen. Verfspetters vliegen in het rond. Ik ben helemaal gefocust op mijn schilderij. Een stem achter me zegt: 'Mooi.' Ik draai me om en kijk recht in de ogen van mijn vader. 'Papa?' Ik spring in zijn armen. 'Oh papa, wat fijn dat je er bent! Ik heb je zo gemist!' We praten heel wat bij, over district 13, over Silver en de Spelen, én over mama. 'Wat was ze mooi hé, je moeder.' Hij kijkt naar mijn schilderij. Ik heb mama geschilderd die naar de zon vliegt. 'Ja.' zeg ik. 'Ze was prachtig.'

'Ik wou dat ik er bij was geweest.' zei mijn vader toen. 'Dan had ik het misschien kunnen voorkomen.'

'Wist jij dan dat mama bij de rebellen zat?' vraag ik. 'Ja,' antwoordt mijn vader. 'Al heel lang. Ze is altijd al een fanatieke rebel geweest tegen het Capitool.'

'Wist ze dan ook al van te voren dat Caesar zou worden doodgeschoten?' Mijn vader slikt. 'Thalia, ik moet je iets vertellen.' Ik kijk hem vragend aan. 'Die man, die Caesar heeft vermoordt, dat ben ik, dus.' Wat? Mijn vader een moordenaar? Nee! 'Het spijt me lieverd, van je moeder mocht ik het eigenlijk niet vertellen, maar ik vind dat je het recht hebt op het te weten.'

'Waarom Caesar?' vraag ik boos. 'Hij kan er niets aan doen dat hij nou eenmaal in het Capitool is geboren. Als je echt iets wilt bereiken, vermoord dan President Snow. Niet Caesar!' Ik had van kinds af aan altijd al van Caesar gehouden. Ik vond hem ondanks dat hij uit het Capitool kwam een leuke, aardige man. 'Sorry, schat. Misschien had ik het beter niet kunnen vertellen.' 'Vond mama dit goed?' schreeuw ik.

'Ja,' antwoordt mijn vader. 'Ze heeft het zelf bedacht.'

'Oke, dan. Als mama het goed vindt, zal dat wel zo zijn. Zullen we nu even gaan afkoelen in het meer?'

Silver Cosglow, eigenwijs zoals altijd. (Hongerspelen fanfictie)Waar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu