'Dit moet het zijn.'
Masani en ik stonden voor de deur met het nummer 46P op. We waren er een paar minuten eerder toevallig achtergekomen dat we naar dezelfde kamer op zoek waren, waaruit we dus konden besluiten dat we elkaar logischerwijs dan ook kamergenoten mochten noemen.
'Doe jij de deur maar open,' mompelde ik aarzelend, terwijl ik hem met een afwachtende blik aankeek. Ik begreep niet waarom ik nu net zo angstig was. Misschien door het feit dat ik totaal geen idee had waaraan ik me achter die gesloten deur kon verwachten; ik had nooit van verrassingen gehouden.
'Volgens mij moet je met je ogen in dit zwarte vierkantje kijken.' Hij wees met zijn vinger naar de scanner die tegen de deur bevestigd was. 'Ik zie geen andere manier om de deur open te krijgen. Laten we maar even proberen, zo moeilijk kan het wel niet zijn.'
Masani ging recht voor het zwarte ding staan en richtte zijn donkerbruine kijkers indringend op het plaatje. Een elektronisch geluid deed me vermoeden dat zijn ogen geanalyseerd werden, waarna de deur nog geen vijf seconden later openzwaaide.
'Kijk, zo simpel is dat!'
Met een enthousiaste lach –die jongen leek wel voortdurend vrolijk te zijn- stapte hij de kamer binnen. Ik voelde mijn hart een ritme sneller pompen en bleef verdwaasd in de opening staan, terwijl ik mezelf verbood naar binnen te kijken. Ik was wel nieuwsgierig, maar anderzijds wilde ik op dat moment gewoon zo hard mogelijk wegrennen en nooit meer terugkomen.
'Kom op, Femke. Waar wacht je op?'
Komaan, Fem, verman jezelf toch eens. Zo moeilijk is dit niet. Met een diepe zucht trok ik mezelf over de streep -zowel letterlijk als figuurlijk- en betrad kamer 46P.
Schuchter zette ik enkele kleine pasjes meer naar binnen en al snel voelde ik dat ik niet de enige met menselijk bloed in de kamer was –buiten Masani dan. Zes nieuwsgierige ogen brandden op mijn lichaam, maar ik durfde hen niet aan te kijken. Ik wist echt niet wat ik had. Ik leek wel een kneusje dat niets durfde; daar ging mijn eerste indruk.
Ik sprak mezelf echter moed toe en probeerde me een zelfverzekerde glimlach aan te meten. 'Hallo, ik ben Femke.' Wanneer je goed luisterde, hoorde je de kleine hapering in mijn stem en ik hoopte maar dat het niemand was opgevallen.
Niemand in de kamer vond het blijkbaar nodig om een antwoord te geven of zelfs een beleefde begroeting terug te mompelen, want het bleef zo stil dat zelfs een fluistering nog als geroep zou geklonken hebben. Was er toevallig iets raars op mijn gezicht? Of had ik zonder het te weten iets vreemds gezegd?
Net wanneer ik de moed op een reactie had opgegeven, antwoordde een stem die opvallend hoog was voor een jongeman: 'Goedendag, ik heet Huan.'
De woorden kwamen uit de mond van een gozer met een Aziatisch uiterlijk en zijn donkere, bijna zwarte ogen keken me vriendelijk aan vanonder een roodgestreept brilmontuur.
Ik schonk hem een attent glimlachje terug. Ik was dankbaar dat er toch nog iemand was die me niet als een hoopje lucht zag. Natuurlijk was er ook nog altijd Masani, die nog steeds de vrolijkheid zelve was.
'Ik ben trouwens Masani,' zei hij dan ook, waarna hij zijn arm als een vriendschappelijk gebaar uitstak om Huan de hand te schudden.
Tot mijn verbazing pakte Huan zijn hand echter niet aan en keek hij er slechts met een afwachtende blik naar, alsof hij hem niet durfde aan te raken. Het leek niet alsof hij het niet wilde, maar de verkrampte spieren in zijn gezicht verrieden zijn angstige ongemak.
'H-het spijt me, maar ik raak liever geen handen aan. Handen behoren tot de grootste overdragers van bacteriën. Wist je trouwens dat vrouwenhanden over het algemeen meer bacteriën bezitten dan haar mannelijke tegenhangers?' hakkelde hij, terwijl hij zijn bril even wat rechter op zijn neus zette.
JE LEEST
Maanvlucht
Science FictionIn het jaar 2090 is de mensheid de wanhoop nabij; ontelbare aardbevingen, verwoestende stormen en ondraaglijke hittegolven hadden al het leven van ettelijke miljarden levende wezens genomen en de menselijke populatie blijft slinken samen met de hoop...
