De bibber manifesteerde zich nog in elke vezel van mijn lijf; mijn hoofd tolde doorheen de ruimte, kloppingen in mijn hoofd verhinderden dat ik normaal kon nadenken, elke spier in mijn lichaam was stram en pijnlijk bij elke beweging die ik maakte.
Een vrouw, opnieuw een kopie van de vrouwen die me voorheen naar mijn testen hadden geleid, hield een vochtig doekje voor mijn ogen uit. Ze glimlachte terwijl ze me aankeek. 'Hier, dat zal je goed doen.'
Ik keek achtereenvolgens op naar het doekje en de vrouw. Alsof een vochtig doekje alle pijn en vermoeidheid even zou weg deppen! Had deze vrouw wel een flauw benul van wat ik had moeten doorstaan? Ik had moeten rennen voor een zwarte afgrond, had door nauwe gangen gelopen en over hoge muren gesprongen , had mezelf door wildwater moeten stuwen terwijl het water tegen mijn gezicht klotste en de sterke onderstroming me omlaag duwde, ik had aan levensgevaarlijke schokken onderworpen kunnen worden tussen de gloeiend hete stralen.
Ik had dood kunnen zijn.
Waar waren die testen in hemelsnaam goed voor geweest? Het leek me namelijk onwaarschijnlijk dat ik ooit zou moeten zwemmen op de maan, aangezien er niet zomaar vloeibaar water voorhanden was, laat staan oceanen om over te zwemmen. Waarom moest het zo extreem zijn? Ik snapte het niet. Dat Jury'tje van de Hoge Raad bestond waarschijnlijk alleen maar uit blaaskaken die uit waren op leedvermaak. Hoe harder we afzagen, hoe beter.
'Ik hoef dat doekje niet,' zei ik, terwijl ik mijn mondhoeken overdreven omhoog duwde in een poging de vrouw te parodiëren.
De beleefde uitstraling van de vrouw bleef echter intact en zonder er nog wat aan toe te voegen, draaide ze zich weer om met de doek in haar handen.
Ondertussen zat ik al minstens tien minuten in deze ruimte, op een oncomfortabel bankje, weer in één of andere bezemkast samen met een vrouw die ze beter zelf in een bezemkast zouden opsluiten. Toen ik haar had gevraagd of ik niet gewoon weg mocht gaan, vertelde ze me dat ik eerst moest wachten tot al mijn kamergenoten de test hadden afgelegd, zodat we in de tussentijd niet met elkaar konden communiceren en dingen zouden verklappen aan degenen die de testen nog moesten doen. Ondertussen staarde ze naar me met die enge glimlach en ik vroeg me af of haar kaken onderhand niet zeer deden van het lachen.
Toen hoorde ik de deur naast me met een krakend geluid open gaan. Nieuwsgierig keek ik op naar de deuropening, hoewel mijn hoofd nog steeds bonkte en mijn zicht nog altijd wat was vertroebeld door de vermoeidheid.
Het was me echter meteen duidelijk wie er door de deuropening kwam. Ik zag het aan de starre gelaatstrekken, de strompelende tred, de paarse highlights in contrast met de zwarte haren, de grommende geluidjes die permanent uit haar keel leken te ontsnappen.
'Rachel,' zei de vrouw terwijl ze naar het meisje toe beende, 'ga zitten. Ik haal meteen een vochtig doekje.'
Rachel, zo heette het chagrijnige meisje dus.
Mijn kamergenote keek me aan met die norse uitdrukking die ze altijd op haar gezicht had kleven. Het leek even alsof ze weigerde naast me te willen zitten, aangezien ze nog een hele tijd bleef rechtstaan en me een blik toewierp alsof ik een of andere besmettelijke tropische ziekte had. Ze zag er echter geradbraakt uit en haar vermoeidheid bleek uiteindelijk toch erger te zijn dan naast mij te moeten zitten. Voor de zekerheid hield ze wel nog twee meter afstand tussen ons.
Intussen stond de vrouw alweer voor haar en overhandigde haar het doekje, dat Rachel wel aannam zonder te mekkeren. Ze depte het zweet van haar gezicht en ik zag dat ze schaafwonden op haar ellebogen had.
Ik wilde overwegen om te vragen hoe haar test was gelopen en de letters waren net klaar om over mijn lippen te rollen, maar meteen snoerde ik mezelf de mond. Het was duidelijk dat ze niet met me wilde praten. Bovendien wist ik niet eens of ik er zelf wel over wilde praten.

JE LEEST
Maanvlucht
Ciencia FicciónIn het jaar 2090 is de mensheid de wanhoop nabij; ontelbare aardbevingen, verwoestende stormen en ondraaglijke hittegolven hadden al het leven van ettelijke miljarden levende wezens genomen en de menselijke populatie blijft slinken samen met de hoop...