Hoofdstuk 18

180 16 1
                                    

POV Javen

Niets had me voor kunnen bereiden op de pijn die ik bij haar zag. De verslagenheid. Het trof me harder dan ik ooit had kunnen voorstellen.

Ze zat op de bijrijdersstoel. Haar benen hingen buiten de auto en de deur stond helemaal open over de stoep. Ze keek naar de grond en haar houding was zwak. Ze leek niet langer op de sterke en vastberaden Alyce die ik had leren kennen. Haar ouders stonden aan haar weerskanten en spraken tegen haar, maar het leek alsof niets wat ze zeiden binnen kwam. Haar moeder had tranen in haar ogen en het leek alsof ze niet dichterbij durfde te komen. Alsof ze bang was dat ze meer schade zou aanbrengen.

Toen zagen ze mij en het leek alsof ze opgelucht waren. Hoe konden ze opgelucht zijn om iemand te zien die nog verder kapot was dan hun dochter? Hoe konden ze juist mij zo vertrouwen?

Ik liep naar haar toe, maar de zelfverzekerdheid die ik had vervloog bij iedere stap. Ik was bang en onzeker nu ik haar zo zag. Alyce, het meisje die altijd zo sterk was om al mijn pijn naar de achtergrond te verdrijven. Al haar kracht die ik zo bewonderde was verdwenen en ik haatte de persoon die daarvoor had gezorgd.

Ze keek niet op. Ze merkte niet eens dat ik er was.

Daarom hurkte ik voor haar neer. Ik moest nu sterk zijn voor haar. 'Hey Alyce,' zei ik zacht met een kleine glimlach op mijn gezicht.

Hoewel de pijn niet wegtrok, verdween in ieder geval die afwezige blik. Haar ogen werden groter nu ze mij zag. Het leek alsof haar lichaam wakker werd. Ze staarde even naar me, alsof ze niet geloofde dat ik hier echt was. Toen begon haar onderlip te trillen.

'Ssst.' Ik pakte haar handen teder vast. Terwijl ik voor haar gehurkt zat legde ik onze handen op haar schoot. Ik zocht naar het vormpje op haar hand, maar ik kon het niet vinden. Ik wilde haar hand loslaten en de stift pakken die ik tegenwoordig altijd bij me hield, maar ze klemde zich aan me vast.

'Alsjeblieft laat me niet los,' fluisterde ze. Haar stem was schoor, alsof ze had geschreeuwd. Had ze geschreeuw? Of kwam het door het huilen? Tranen hadden zich weer in haar ogen verzameld en ik kon zien dat het niet de eerste waren. Ze sloot haar ogen, alsof ze op die manier de tranen kon stoppen. In plaats daarvan rolden ze over haar wangen.

'Ik ben hier Alyce,' fluisterde ik tegen haar. 'Ik ben hier, ik blijf hier en ik ga nergens heen. Haal rustig adem.' Ik merkte dat ik mijn eigen woorden opvolgde en zelf diep adem haalde. Ik had die rust nodig, want in mijn hoofd was het alles behalve rustig. Het deed me pijn om haar zo te zien, maar het was tegelijkertijd confronterend. Deze pijn zagen mijn zusje en mijn vader bij mij.

Ze opende mijn ogen en knikte langzaam. Ze haalde diep adem en ik deed met haar mee, dat was een reflex die ik niet kon stoppen. Samen haalden we adem, samen probeerden we elkaar te kalmeren.

De grip op mijn handen verzwakte. Zacht liet ik haar met één hand los. Ik bracht deze naar haar gezicht en streelde de haren uit haar gezicht die plakten van de tranen. 'Het komt goed Alyce. Ik ben hier nu. Er zal niets meer gebeuren.'

Ze leunde naar mijn aanraking en dat zorgde ervoor dat mijn hart en slag oversloeg. Hoe kon het dat ze zich zo op haar gemak voelde bij iemand als ik? Iemand die ze nog maar enkele dagen kende? Hoe kon het dat haar eigen vrienden ervoor zorgden dat ze volledig in paniek was geraakt?

'Ik wil naar huis.' Die woorden zorgden voor angst, maar die angst nam ze snel weer weg. 'Jouw huis,' voegde ze er meteen aan toe met een lachje op haar gezicht. Haar handen trilden nog en de tranen waren nog niet gestopt, maar er was een lachje.

Haar ouders, die vlak naast ons hadden gestaan, hadden gehoord wat ze zei. Terwijl haar vader naar de bestuurderskant liep, reikte naar moeder naar de deur van de achterbank.

'Mam.' Alyce haar stem was zwak, maar haar moeder keek haar meteen aan. 'Ik wil achterin zitten.' Het was de onderliggende boodschap van die woorden die zorgde voor een glimlach op mijn gezicht.

Haar moeder glimlachte ook, naar mij. 'Oké lieverd.' Ze hield de deur open.

Ik hielp Alyce overeind. Haar hele lichaam gaf aan dat ze uitgeput was. Ze leunde grotendeels op mij terwijl we naar de achterbank liepen. Daar zette ik haar voorzichtig terug op de bank. Ze trok zelf haar benen naar binnen en ik sloot de deur zacht. Terwijl ik naar de andere kant liep, ving ik kort de blik van haar moeder.

Trots. Vertederd. Verdiende ik die emoties? Ik hoopte het wel.

Voordat ik instapte zag ik nog net Alyce haar vrienden buiten staan. Lela en de jongen. Hoewel zij vooral verdrietig en bezorgd keek, zag ik bij hem nog iets anders. Iets wat me totaal niet aanstond.

Ik stapte naast Alyce in de auto. Ze keek uit het raam aan haar kant, de kant waar Lela en de jongen stonden.

'Lela en Ralph kwamen vlak na Javen,' wist haar moeder te vertellen. Ralph, dat was zijn naam. Ik had hen niet aan zien komen. 'Ze wilden je de ruimte geven. Wat is er gebeurd Alyce? Ze leken van streek.' Alyce' moeder keek achterom naar ons. Dit was de vraag die ik niet durfde te stellen, omdat ik wist dat het enkel negatief kon uitpakken. Alleen dit was ook de vraag waar ik zo nodig antwoord op wilde.

Alyce staarde naar haar vrienden terwijl we wegreden. Ze zwaaide niet naar hen en ze glimlachte ook niet. Er was geen emotie op haar gezicht te lezen terwijl we steeds verder bij hen vandaan reden.

'Ik wil er niet over praten,' zei Alyce, ruwer dan ze waarschijnlijk bedoelde. Haar toon liet haarzelf ineenkrimpen en dat was genoeg voor haar moeder om er niet op te reageren.

Terwijl haar moeder zich terug naar voren omdraaide, zag ik de vermoeidheid bij Alyce toeslaan. Haar ogen zakten dicht en haar hoofd helde opzij. Het was een aandoenlijk gezicht geweest, als het niet was veroorzaakt door zoveel paniek.

Ik maakte mijn gordel los en schoof naar haar toe. Ze was direct weer wakker en keek me verward aan. Ik maakte mijn gordel weer vast, deze keer die van de middelste stoel. 'Kom hier.' Ik opende mijn armen voor haar.

Ze keek me kort aan met twijfels in haar ogen. Ik glimlachte bemoedigend naar haar. 'Je bent doodop en het is een rit van een half uur.'

Dat leek haar over te halen. Ondanks dat ze zich ongemakkelijk leek te voelen, leunde ze voorzichtig mijn kant op. Ze zat zo, dat ze haar hoofd op mijn schouder kon leggen zonder oncomfortabel te zitten. Ik kon het niet laten en sloeg mijn armen om haar heen.

Het was niet handig en ging tegen al mijn zelfopgelegde regels in. Niet te dichtbij, niet te gehecht aan haar raken. Uiteindelijk zou ze weer vertrekken. Alleen vandaag had ze het zwaar, had ze pijn en ik wilde haar steunen. Ik wilde haar de rust geven om de gebeurtenissen van vandaag van haar af te zetten. Ik wilde haar het vertrouwen geven dat het niet zo hoefde te gaan, dat het op een andere manier kon.

Een betere manier.

Going OutWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu