Hoofdstuk 21 - Gekidnapped

32 1 3
                                        

'Hey!' Hoor ik iemand na een tijdje roepen. Ik kijk voorzichtig om. 'Ben jij niet die van de posters?' Zegt de man en hij komt dichterbij. Ik schud mijn hoofd. 'Ik denk dat u iemand anders bedoelt.' Zeg ik met een frons. 'Nee, jij bent het echt. Die Selena.' Hij galoppeert er vandoor, dit kan niks goeds betekenen. Ik spoor Tiptoe aan en ren achter de man aan. 'Wacht!' Roep ik de man achterna, maar het heeft weinig zin. Ik spoor Tiptoe nog meer aan en we halen de man in. Iets verderop houd ik halt en ik richt mijn wapen op de man. Snel stopt hij zijn paard en kijkt me met enige angst in zijn ogen aan. 'Je kan dit niemand vertellen.' Zeg ik met een licht dreigende toon. 'Je bent echt zo slecht als ze zeggen.' Zegt de man. Ik voel een ijskoude rilling over mijn rug lopen bij het horen van die woorden. 'Als ik zo slecht zou zijn was je nu al dood. Wegwezen nu!' Roep ik en ik berg mijn wapen op. De man rent ervandoor, ik kijk naar de lucht en zie dat de zon langzaam ondergaat. Eenmaal vlak bij de grot kijk ik om mij heen of ik iemand zie. Voorzichtig stap ik het pad af, het donkere bos in. Plots hoor ik stemmen, snel stijg ik af van Tiptoe en pak een van mijn wapens. Hoe dichter ik bij de grot kom, hoe luider de stemmen. Ik hoor Merida, maar ook een vreemde mannenstem. 'Je moet me vertellen waarom ik hier niet kan blijven.' Hoor ik de man zeggen. 'Ze vertrouwd niet zomaar iedereen.' Zegt Merida. 'Wie ben jij?!' Roep ik terwijl ik de bosjes uit spring. Ik richt mijn wapen op de man. 'Selena, wacht!' Merida springt voor de man en kijkt mij bang aan. 'Dit is mijn beste vriend, ik kwam hem tegen in de stad.' Zegt ze snel. 'Hij is te vertrouwen.' Ik hoor een trilling in haar stem en kijk vervolgens naar de man. 'Lenny?' Zeg ik voorzichtig. De man begint te lachen en loopt naar mij toe. Snel omhelzen we elkaar. 'Nooit gedacht je nog eens te zien, Selena.' Zegt hij met een lach. 'Wacht, jullie kennen elkaar?' Vraagt Merida. Ik knik en veeg een traan van blijdschap weg. 'We hebben een tijdje bij dezelfde gang geleefd, de gang waarover ik je vertelde.' Zeg ik met een lach. 'Waar is Arthur? En de rest van de gang?' Vraagt Lenny en hij kijkt me vragend aan. De lach op mijn gezicht verdwijnt direct. 'Ik hoopte dat jij me dat kon vertellen.' Zeg ik verbaasd. Hij schudt zijn hoofd. 'Wat is er gebeurt, waarom ben je niet meer bij hen?' Vraag ik snel. 'We probeerden een bank te beroven, het was een val. Iedereen moest vluchten en ik heb daarna nooit meer iemand van hen gezien. Ik weet niet eens of ze nog leven.' Ik hoor verdriet in zijn stem. 'Hoelang is dit geleden?' Ik kijk hem verdrietig aan. 'Een week na jouw vertrek.' Verslagen ga ik zitten op een van de rotsen. Zou Arthur dood zijn? 'En nu? Wat ga je nu doen?' Vraag ik hem. 'Ik wil opnieuw beginnen, een nieuw leven starten.' Hij kijkt er trots bij. 'Je wilt alles vergeten en achter je laten? Je zou je gang moeten zoeken, net als ik!' Roep ik boos. 'Ik kan niks! De sheriffs zoeken mij overal, net als jou. We zijn machteloos.' Hij probeert me te troosten, net als Merida. 'Dat weiger ik te geloven, ik moet en zal weten wat er met Arthur is gebeurd!' Ik loop naar Tiptoe en galoppeer ervandoor. Bij een open plek, beschut door de bomen houd ik stil. Ik sla mijn tent op en staar voor me uit. In mijn dagboek schrijf ik alle mogelijke antwoorden op over hoe het met Arthur zou zijn. Elke dag trek ik erop uit in de omgeving om aanwijzingen van Arthur te zoeken, maar ook om te kijken hoe alert de sheriffs zijn. Na een paar dagen besluit ik terug te gaan naar Merida en Lenny, maar eenmaal bij de grot was het leeg en verlaten. Ik stap af en bekijk de grond, ik zie allemaal scherven liggen. Een vuur van woede dreunt door mij heen, dit is geen normaal vertrek geweest. 'Zoek je Merida en Lenny?' Hoor ik iemand zeggen. Ik kijk snel op en zie een man staan. 'Waar zijn ze?' Vraag ik hem. 'Die gang, O'Driscolls, ze hebben ze meegenomen. Ze zijn hier niet ver vandaan.' Ik stap op mijn paard en maak mijn wapens gereed. 'Ze zijn met teveel, je wint het nooit.' Zegt hij snel. 'Die gang heeft mij al teveel ontnomen, ze pakken hen niet ook van mij af.' Zeg ik met motivatie en zelfvertrouwen. Ik draaf in de richting die de man mij wees. Al snel ruik ik een kampvuur en stijg af. Met een gereed wapen sluip ik richting het kamp. 'Waar is ze?' Ik zie hoe een O'driscoll Merida bedreigt. 'Ik ken haar niet!' Roept ze. Ik zie hoe Merida een klap in haar gezicht krijgt van de man. 'Waar is die Selena!' Ik bijt mijn tanden op elkaar van woede. 'Zoek je mij soms?' Roep ik en ik stap achter de boom vandaan. 'Grijp haar! Ik wil haar levend!' Snel verschuil ik mij achter de boom. Een voor een probeer ik de O'driscolls uit te schakelen. Met mijn hart bonzend in mijn keel en woede in mijn ogen ga ik zo het hele kamp door. 'Kom, ik haal jullie hier weg.' Zeg ik terwijl ik Merida los probeer te maken. 'Geen beweging meer.' Ik voel iets kouds mijn hoofd aantikken, ik verstijf. Ik hoor hoe een wapen geladen wordt. Ik laat mijn mes vallen en draai mij voorzichtig om met de handen in de lucht. 'Colm gaat zo blij zijn als ik met jou aankom.' Hij kijkt me trots aan. 'Ik kan nu eindelijk mijn grootste fout recht zetten.' Vragend kijk ik hem aan. 'Wat heb ik met jou te maken?' Vraag ik vol verbazing. 'Je herkent me niet?' Zegt hij met een frons. Dan zie ik het, ik herken die man. 'Jij hebt me vrijgelaten, toen je me moest doden.' Zeg ik terwijl mijn verbazing als maar groter word. 'Maar waarom ben ik je grootste fout?' Langzaam ik zie ik tranen bij hem omhoog komen, maar de woede in zijn ogen wordt alsmaar groter. 'Door jou is iedereen die mij dierbaar is van mij afgenomen!' Schreeuwt hij luid. Dreigend zwaait hij met zijn wapen. 'Door wie?' Vraag ik hem. 'Colm O'driscoll.' Ik zie het verdriet waar hij zich doorheen heeft moeten slaan. 'Het is niet mijn schuld maar Colm. Hij zou hier moeten staan, jij deed alleen maar wat goed was, je hebt mij laten gaan.' Zeg ik in de hoop hem te kalmeren. 'Jij gaat hiervoor boeten.' Zegt hij. 'Kijk mij eerst recht in de ogen aan, en bedenk dan wat je familie van je zou denken als je mij hier vermoord, ik sta hierbuiten.' Langzaam laat hij zijn wapen zakken. Verslagen kijkt hij naar de grond. 'Waar denk jij mee bezig te zijn, David? Hou haar onder schot en neem haar mee!' Er komt iemand dreigend aangelopen. 'Colm O'driscoll.' Zeg ik zacht. Ook hij pakt zijn wapen en richt deze op mij. 'Kom op David.' Roept hij luidt. 'Ik kan het niet, zij heeft er niks mee te maken.' Zegt hij boos. 'Zwakkeling!' Er valt een doodse stilte, alleen boze en verwarde blikken. Plots vult er een grote klap de stilte, een schot.

Wild West DiaryVerhalen om door geobsedeerd te raken. Ontdek het nu