Hoofdstuk 19

66 4 7
                                        

Zo snel als ik kan hup ik met de krukken weg van het raam. Ik kijk snel om me heen. Gelukkig is er niemand buiten! Snel hup ik naar de poort. Ik kijk nog een keer achterom naar het ziekenhuis waar ik blijkbaar maandenlang in heb gelegen. Waarschijnlijk zullen de twee zusters na de lunch terugkomen voor het prikje, maar de lunch duurt meestal een uur en dan ben ik al een flink eind op weg. Ze verwachten vast dat ik richting het eerstvolgende dorp ga. Dus dat doe ik niet. Ik ga juist precies de andere kant op: de bergen in.

Na een kwartier moeizaam door het hoge gras te hebben geploeterd, bereik ik eindelijk de bergen. Ik begin te klimmen maar de zon brand genadeloos in mijn nek en ik begin kramp te krijgen in mijn armen, dus ik besluit even een pauze te nemen. Ik plof neer in de schaduw en kijk zoekend om me heen. Zou er hier ergens water te vinden zijn? Ik heb er totaal niet aan gedacht om water en eten mee te nemen. Oh wat dom van me! Zo houd ik het nog geen week uit!

Ik lik langs mijn droge lippen en slik moeizaam. Het is vreselijk warm hier!  Plots hoor ik een soort gerinkel. Meteen sta ik op en hup richting het geluid. Wie het ook is, diegene heeft vast water bij.

Een eindje verderop staat een jongen. Om hem heen lopen dieren die ik nog nooit eerder heb gezien. Ik hup zo snel ik kan op de jongen af. 'Ehm... hallo! Sorry dat ik stoor. Heb jij misschien wat water voor me?' De jongen kijkt me nieuwsgierig aan. 'Nee water heb ik niet. Ik drink altijd de melk van mijn geiten! Moet je ook proberen joh! Het is heerlijk!' Hij loopt naar de grootste geit toe en zakt door zijn knieën. Hij pakt haar uier vast en knijpt. Er spuit een dun straaltje witte vloeistof recht zijn mond in. Aarzelend volg ik zijn voorbeeld. Hmmm! De jongen heeft gelijk! Dit smaakt echt heerlijk! 'Bedankt! Hoe kan het eigenlijk dat je mijn taal spreekt?' De jongen haalt zijn schouders op. 'Ik spreek de taal van alle stammen die rond mijn bergen liggen. Hoe heet jij eigenlijk? En waarom heb je die achterlijke jurk aan?' Ik was helemaal vergeten dat ik nog de ziekenhuisjapon aanhad. 'Mijn naam is Samira. Toevallig vind ik deze jurk wél mooi. Hoe heet jij?' De jongen grijnst. 'Nou, het is maar wat je smaak is hè? Mijn naam is Samuel. Maar iedereen noemt me Sam.' Ik proest. 'Samuel?!' 'Ja, vond mijn moeder ook wel eens leuk na generaties lang Peter of Pieter. Waar moet je eigenlijk heen?' Ik haal mijn schouders op. 'Geen idee.' 'Je mag met mij mee als je wilt.' Ik knik opgelucht. 'Heel graag!' En zo vervolgde ik mijn reis.

SamiraWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu