Ik onderdruk een gil. Razendsnel draai ik Angin Puyuh om en we galloperen weg. Achter me hoor ik een zwakke roep. Als ik zo'n 200 meter heb gegalopeerd ben ik weer wat van de schrik bekomen. Waarom reed ik eigenlijk zo hard weg? Die man was gewond, hij kon me toch niets doen. Ik draai Angin Puyuh om. We kunnen best een kijkje gaan nemen.
Binnen 2 minuten zijn we weer bij de man. Hij kijkt op. Weer zegt hij iets, maar ik snap niet wat hij zegt. 'Vreemdeling, wie ben je en wat doe je hier?' Hij schud zijn hoofd niet begrijpend. Hij wijst naar zijn sneeën en vertrekt zijn gezicht. Dan wijst hij naar mij. Ik begrijp het. Hij vraagt me of ik hem kan helpen. Ik weet niet wat ik moet doen. Ik vertrouw de blanke man voor geen cent, maar als ik hem niet help, bloed hij dood. Maar hij kan niet eens opstaan, dus kan hij mij ook niets doen. Langzaam klim ik van Angin Puyuh af.
Ik loop naar de man toe en kijk hem diep in zijn ogen. Zijn ogen zijn helderblauw. Hij staart zonder blikken of blozen strak terug. Ik wend mijn blik af en inspecteer de wonden. Ik loop naar een plant en pluk een paar bladeren. Het sap van de bladeren verzacht de pijn. Hij volgt al mijn bewegingen terwijl ik de bladeren in stukken hak met een stok, en het sap in de wonden sprenkel. Ik ga voor de man in kleermakerszit zitten.
Ik tik met mijn vinger tegen hals terwijl ik mijn naam zeg: 'Samira'. Dan wijs ik naar de man. Hij knikt en zegt: 'Jack.' Ik probeer zijn naam te herhalen. 'Djuk?' Hij glimlacht. Ik wijs naar mijn paard. 'Angin Puyuh.' Jack trekt zijn wenkbrouwen op. 'Engin phoehjhoe?' Hij grinnikt. Ik barst in lachen uit. Ik verbaas me over deze man. Mij is altijd verteld dat blanken slechte, wrede wezens zijn, maar deze man is het tegendeel daarvan.
JE LEEST
Samira
AléatoireDe 16-jarige Samira woont in een indianenstam, en is daar erg gelukkig. Tijdens een rit op haar paard vind ze een blanke gewonde man. Vanaf dat moment veranderd alles.
