Hoofdstuk 40: Het Water der Waarheid

1 0 0
                                    

Alaric stond op de oever van het meer, zijn ogen speurden de omgeving af. Zijn kleren, die hij als vanzelfsprekend op de oever had neergelegd, waren nergens meer te bekennen. Hij keek naar de bomen, naar de stenen, naar het water – niets. Geen spoor van zijn bezittingen.

"Je hebt goed je best gedaan," zei Quin met een speelse glimlach, haar ogen glinsterend van plezier. "Maar ze zijn nergens te vinden."

Alaric keek naar haar, zijn gezicht strak, maar zijn lippen krulden om tot een lichte grijns. "Genoeg gespeeld nu," zei hij met een humorvolle ondertoon. "Gaat u maar eens het water in, kijken of het u bevalt om uw kleren kwijt te zijn."

Quin keek even naar hem, nieuwsgierig naar de man die zijn best deed om niet te laten merken dat de situatie hem niet beviel. Ze wachtte niet lang voordat ze, met een glimlach op haar gezicht, zijn kleren teruggegeven. "Als je dat zo graag wilt, hier zijn ze dan."

Alaric keek haar aan, maar voordat ze verder iets kon zeggen, was er een nieuwe glans in zijn ogen – een glinstering van speelse woede. "Dacht u er zo snel vanaf te zijn?" zei hij met een uitdagende grijns. En voordat Quin zich kon voorbereiden, duwde hij haar onverwacht het water in.

Het koude meer sloot zich om haar heen, de schok van de kou deed haar even verstijven. Toen ze boven kwam, haar natte haar en kleren druipend, keek ze recht in de ogen van Alaric, die alweer met een grijns stond. "Je zult me nog wel meer moeten uitdagen als je denkt dat ik me zo makkelijk neerlaat," zei ze, haar stem licht gejaagd van de kou, maar haar ogen speelden.

Alaric lachte hardop, de strijdlust in zijn ogen vervaagde. "Ik moet toegeven, je hebt meer vechtlust dan ik had verwacht," zei hij met een speelse blik.

Ze stonden daar even, het water kabbelt zachtjes rond hun voeten, maar de spanning tussen hen was niet verdwenen. "Dus," zei Alaric uiteindelijk, zijn blik nu serieus. "Heb je genoten van het spelletje?"

Quin haalde haar schouders op, maar de glimlach op haar gezicht veranderde in een meer bedachtzame uitdrukking. "Misschien," zei ze met een glimlach, maar haar stem was nu minder speels. "Maar ik geef je niet altijd wat je wilt, Alaric."

Alaric glimlachte opnieuw, dit keer met een mengeling van nieuwsgierigheid en bewondering. "Jij bent niet gemakkelijk, dat geef ik je toe."

De lucht was nog steeds fris van het water, maar de zon begon haar kracht langzaam terug te winnen. Toch was Quin zichtbaar rillerig van de kou. Alaric keek naar haar, zijn bezorgdheid voor haar welzijn overduidelijk. "Je hebt het koud," zei hij, zijn stem zacht. "Kom met me mee naar mijn legerkamp. Daar kun je je opwarmen."

Quin aarzelde, haar blik afwending naar de horizon, maar uiteindelijk knikte ze. "Goed dan. Maar als je me weer iets laat doen dat ik niet wil, dan is het klaar."

Alaric lachte, een grijns op zijn gezicht. "We zullen zien."

De reis naar het kamp was korter dan ze had verwacht, het legerkamp van Alaric lag niet ver van het meer. Het was een bescheiden kamp, met een paar tenten en wat soldaten die langzaam hun dagelijkse taken uitvoerden. De sfeer was rustiger dan ze had gedacht, de soldaten kalm en gedisciplineerd. Toen ze het kamp bereikten, stelde Alaric voor dat ze bij het vuur zouden zitten, zodat ze konden opdrogen.

Ze gingen zitten, het kampvuur verwarmde de lucht, en Quin voelde langzaam de kou uit haar botten verdwijnen. Terwijl ze daar in stilte zat, met haar ogen op het vuur gericht, brak Alaric de stilte.

"Je hebt me nog niet verteld wie je werkelijk bent," zei hij, zijn blik scherp en nieuwsgierig. "Je hebt me genoeg uitdaging geboden, maar ik ben er nog niet achter wie je werkelijk bent."

Quin keek naar hem, haar hartslag versnelde. Ze wist dat het moment zou komen, de waarheid moest op een dag uitkomen. Ze had altijd geweten dat ze niet voor altijd kon ontsnappen aan zijn vragen.

Ze keek hem aan, haar ogen zacht maar vastberaden. "Wie ik ben?" herhaalde ze, haar stem nu stiller. Ze slikte even, haar adem iets zwaarder dan normaal. Ze voelde de spanning in haar borst. Dit was het moment waarop alles veranderde.

"Ja," zei Alaric, zijn stem laag maar duidelijk. "Ik weet dat je niet zomaar bent wie je zegt dat je bent. Je hebt een verleden, een doel, iets waar ik nog geen grip op heb."

Quin ademde diep in, haar blik naar de vlammen gericht, die zachtjes in de wind dansten. Ze was stil voor een moment, het voelde alsof de tijd zelf even stil stond. Uiteindelijk keek ze weer naar Alaric, haar ogen vastberaden, maar een deel van haar was ook bezorgd.

"Ik ben de dochter van Robin Hood," zei ze uiteindelijk, haar stem nu rustig maar duidelijk. "De beroemde bandiet, de man die de rijken bestal en de armen steunde."

Alaric keek haar met verbazing aan, zijn ogen groot van ongeloof. "Robin Hood?" herhaalde hij, zijn stem zacht, als een echo van haar woorden.

Quin knikte. "Ja. Ik ben zijn dochter. Het was altijd al duidelijk dat ik niet zomaar iemand ben."

Alaric bleef stil, zijn gedachten rolden als een storm in zijn hoofd. Robin Hood – een legende, een vijand. En nu stond de dochter van deze man voor hem, in een situatie die alles behalve simpel was.

Quin keek naar hem, haar ogen donker van betekenis. "Dus, nu weet je het," zei ze zacht. 

Het Zwarte WaterWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu