Hoofdstuk 28. Geen Gewone Zomerdag.

83 6 0
                                    

Emma en ik hadden een strategische positie gekozen in de gang bij de binnenplaats. We wachtten in een verlaten klaslokaal met de deur open, zodat we goed zicht hadden op wie er door de gang kwam. We wisten niet precies wat we moesten doen als er een vijandig iemand langs kwam, maar Emma stelde voor om ze simpelweg te verlammen.

Het was een vreemd gezicht, ons te verstoppen in een lokaal met uitzicht op de aantrekkelijke binnenplaats, die normaal overspoeld zou worden door leerlingen. Als we het gegil en het geluid van brekend steen en glas weg dachten, had het een gewone zomerdag kunnen zijn.

Ik had spijt dat mijn afscheid van Draco zo kortaf was geweest, maar ik kon er nu niets meer aan doen. We hadden een strijd te winnen! Ik had hoop gevonden in Professor Vectors berekeningen en besloot: vandaag ga ik niet dood. Die zin herhaalde ik in mijn hoofd als een mantra.

Toen ik voetstappen hoorde, pakte ik mijn toverstok steviger beet en verschool me vlak naast de deur. Emma stapte snel achter me. De voetstappen kwamen dichterbij, en nu hoorde ik ook stemmen. Voorzichtig keek ik om de hoek en zag Harry en Loena.

"Harry! Loena! Hebben jullie de diadeem gevonden?" vroeg ik gesmoord.

"Nog niet, maar ik ben onderweg naar de Kamer van Hoge Nood. Loena, bedankt voor je hulp, maar ik kan het nu wel alleen af," zei Harry. Hij zag er nu al afgepeigerd uit, dus ik hoopte dat hij niet halverwege de nacht zou bezwijken.

Harry liep door en Loena kwam bij ons in het lokaal zitten. "Wat doen we hier precies? De actie lijkt ergens anders te zijn," merkte Loena op. Ik keek naar Emma en lachte ongemakkelijk.

"We dachten dat we hier wel een hinderlaag voor Dooddoeners konden vormen," legde Emma uit. We bevonden ons niet in het heetst van de strijd, maar we konden tenminste zeggen dat we ons steentje bijdroegen.

Knal! Één van de muren van de binnenplaats kwam naar beneden gestort en een reus waggelde door het puin. Hij had een schreeuwende leerling in zijn hand.

"We moeten haar helpen!" riep Emma. We haastten ons naar de binnenplaats en begonnen spreuken op de lelijke reus af te vuren.

"Reducto!" schreeuwde Emma. De reus trok geschrokken zijn hand terug en liet de leerling op het gras vallen. Hij was alleen nog niet verslagen. Nadat ik hem verlamd had, zorgde een koude windstoot ervoor dat ik rilde en angstig over mijn schouder keek.

"Dementor!" krijste ik paniekerig.

Hoe dichterbij het duistere, zwevende figuur kwam, hoe erger mijn angst werd. Mijn hoofd voelde zwaar en ik zag afschuwelijke beelden uit de krochten van mijn herinneringen. Toen ik bijna geheel was opgegaan in beelden van een bloedende Draco op de badkamervloer, mijn vader die de Zwarte Kunsten bestudeerde en het levenloze lichaam van Perkamentus, was er opeens een fel licht dat me terug in de realiteit trok. Een haas had de Dementor verdreven. Het was Loena's Patronus!

"Laten we teruggaan naar het lokaal," stelde Emma voor.

Samen met het geredde meisje renden we terug naar de gang en verstopten ons weer in het lokaal.

"Oh, voor we weer een ongewenste gast tegenkomen, neem deze," zei Loena, en ze nam een paar gele buideltjes uit haar zak. "Het zijn amuletten die ik gemaakt heb met Hongaarse kwarts. Ze zullen je beschermen," glimlachte ze opgewekt. "Stop ze in je zak, ik draag de mijne al." Ik pakte het buideltje aan en stopte het ook in mijn zak. Baadt het niet, dan schaadt het niet en omdat Loena nogal begaafd was met creatieve magie, voelde ik me met deze kiezels in mijn zak toch een beetje veiliger. Ook hoopte ik dat Olivander gelijk had en mijn mahoniehouten toverstok me inderdaad extra beschermde.

"Luister, er zijn mensen in de gang," fluisterde Emma. Inderdaad, ik hoorde nu ook snelle voetstappen en vloeken die weerkaatsten op de muren. We hielden onze toverstokken in de aanslag en wachtte tot de mensen ons lokaal zouden passeren.

Twee leerlingen en een Professor, Professor Slakhoorn, werden achtervolgd door twee Dooddoeners. Ik herkende ze niet, ze hadden hun maskers op. Voor ze nog een vloek konden uitroepen, kwamen mijn vriendinnen en ik uit het lokaal gestormd en verlamden ze.

"Goed gedaan, meiden," hijgde Professor Slakhoorn. "Jullie twee: ga, vlug!" instrueerde hij de leerlingen waarmee hij aan was komen rennen, en zij vertrokken. Het meisje dat wij van de reus hadden gered ging snel met ze mee.

"Ik zorg wel voor-" de Professor werd afgeleid door het lawaai van een andere instortende muur en een andere reus, een paar Dementors en een Dooddoener, die allemaal met een groepje leerlingen in gevecht waren, waaronder Marcel, verschenen op de binnenplaats.

Professor Slakhoorn maakte zich meteen uit de voeten om de leerlingen te helpen, waardoor Emma, Loena en ik alleen achterbleven met de twee Dooddoeners. Emma duwde me terug het lokaal in en we verstopten ons om de hoek voor de Dooddoeners bij zouden komen. Loena rende naar de binnenplaats om de Dementors te verjagen. Ze was goed in het oproepen van een Patronus, maar ik hoopte dat ze niet te enthousiast zou worden en vertrapt zou worden door de reus of vermoord door de Dooddoener. Ik probeerde rustig te ademen en hoopte dat de Dooddoeners in de gang snel weg zouden gaan. Emma en ik zouden ze niet alleen aan kunnen.

De Dooddoeners waren iets aan het bespreken, maar hun stemmen klonken gedempt door de muur dus kon ik niet horen wat ze zeiden. Toen we eindelijk voetstappen hoorden, slaakte ik een zucht van verlichting. "Laten we Marcel en de anderen gaan helpen," drong Emma aan.

We verlieten het lokaal en begaven ons naar de binnenplaats, waar nu een verhitte strijd werd uitgevochten. Tot mijn opluchting zag ik dat Loena in orde was. Er stond een Dooddoener recht voor ons, met zijn rug naar ons toe. Ik stond op het punt hem aan te vallen, maar hij draaide zich om en ik bevroor. Emma vuurde een spreuk op hem af, maar de man voor ons weerde die moeiteloos af. Hij had zijn masker afgedaan en nu zag ik wie hij was: mijn vader, Parzival Tacendi.

Was hij onder invloed van de Imperiusvloek? Herkende hij me? Of dacht hij dat ik een slechte dochter was door tegen de Dooddoeners te vechten? Zou hij me vermoorden?

"Kira!" riep hij uit. "Wat in Salazars naam doe jij hier?" Dus hij herkende me wel. Ik wist niet of ik daar blij mee moest zijn of niet.

"Ik kan jou dezelfde vraag stellen," zei ik verachtend.

"Heb jij een brandend teken op je pols en een krankzinnige Duistere tovenaar die je afmaakt als je niet doet wat hij wil?" vroeg mijn vader, niet op een ongevoelige manier.

"Alleen een krankzinnige Duistere tovenaar om uit te schakelen," zei ik nonchalant. "En ik verbied je om leerlingen aan te vallen," voegde ik eraan toe.

"Dat was ik ook niet van plan. Ik ren ze gewoon achterna, zogenaamd om ze te vervloeken, maar eigenlijk verdrijf ik ze van de plekken waar heftig gevochten wordt," antwoordde mijn vader.

Hoewel ik geraakt was door zijn nobelheid, begreep ik niet hoe hij dit zonder consequenties kon doen. "Hebben ze niet de Imperiusvloek op je gebruikt om er zeker van te zijn dat je aan hun kant vecht?" vroeg ik.

Mijn vader kon een grijns niet onderdrukken voordat hij antwoordde: "Ze hebben die inderdaad op me gebruikt om het Duistere Teken te nemen en tijdens de eerste dagen dat ik in Villa Malfidus was, maar Bellatrix heeft me wat vrijheid toevertrouwd omdat ze zich herinnerde dat ik een kenner van de Zwarte Kunsten ben. Ik speelde mee om die vrijheid te houden."

Ah, dus je beschikt nog steeds over dat beetje slechtheid van vroeger, als het betekent dat je in leven blijft.

Ik wierp een schuine blik op Emma, die een oogje in het zeil hield voor aankomend gevaar, maar duidelijk meeluisterde. Ze had, begrijpelijk, geen goed woord over voor mijn vader, dacht ik.

"Laten we jullie hier weghalen," zei mijn vader.

"Ik kan nu niet weg, ik heb een strijd om uit te vechten. Ik ga mijn vrienden niet alleen laten," antwoordde ik, nog steeds met mijn toverstok in de aanslag.

"Het is een verloren zaak, Kira, hij is te sterk. Maar doe wat je wil, ik denk alleen dat het beter is als we niet samen gezien worden. Ik zou niet gezien moeten worden met "de vijand" en jij moet ook niet gezien worden terwijl je praatjes maakt met de mensen waar je tegen hoort te vechten." Hij had gelijk, er waren al genoeg roddels geweest over mij en mijn vader de laatste tijd. Mijn vader draaide zich om en wilde de binnenplaats verlaten. "Tacendi!" riep iemand plotseling.

Mijn vader en ik draaiden ons allebei om naar een Dooddoener, die ik, ondanks zijn masker, meteen herkende als Lucius Malfidus dankzij zijn blonde paardenstaart.

A Serpent's Heart (Nederlands)Waar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu