6. Mijn Droom van Rebellie

7 1 0
                                    

Naarmate de week verstreek, begonnen mijn krachten langzaam terug te komen. Het begon met de deuren, die me niet meer uitputten als ik ze opende. Op vrijdag kon ik zelfs weer korte stukjes vliegen, al voelde ik me vervolgens wel de rest van de dag ontzettend moe. Toch irriteerde het me dat ik zo weinig kon. Uit verveling had ik al verschillende mensen en sloofjes de dood in gejaagd. Ik had ze niet letterlijk vermoord, natuurlijk, maar een fluistering hier en wat gemanipuleer daar en ze liepen zo het figuurlijke ravijn in.

Eentje had een tot de kern toe verrotte appel gegeten, waarna hij was gestorven aan voedselvergiftiging. Hem had ik sneeuwwitje gedoopt, en ik had me uitstekend vermaakt over mijn eigen gevoel voor humor. Helaas leken anderen de ironie van de bijnaam wat minder in te zien. Een ander sloofje dacht plotseling dat ze een koordanseres was, en was vol zelfvertrouwen een waslijn opgelopen. Jammer dat ze minder getalenteerd was gebleken dan ze zelf had gedacht, wat haar een langdurig verblijf in de ziekenboeg opleverde.

De mensen boeiden onze genereuze koningin niet veel, maar nu het aantal sloofjes flink slonk, werd ze toch behoorlijk chagrijnig. Een paar keer al had ik het dringende bevel gekregen om me bij haar te melden, maar tot nu toe had ik dat nog steeds niet gedaan. Echter, deze droom van rebellie kwam uiteindelijk tot een einde op zaterdag.

De heksen stonden 's ochtends al vroeg voor mijn deur. Zonder verzet liep ik met ze mee, wetend dat ik het toch niet veel langer meer zou kunnen rekken.


"Ik denk dat ze klaar is, mijn koningin."

"Klaar? Domme, domme Kindra, ze is verre van klaar."

"Ik snap het niet, mijn koningin. Ze heeft u nu al een week lang op elke mogelijke manier tegengewerkt. Hoezo is ze nog niet klaar?"

"Vertel mij, Kindra. Waarom heeft ze mij tegengewerkt?"

"Ze haat u, ze is het zat."

"Nee Kindra, dat is niet de reden. Mij haat ze niet. Ze haat zichzelf, dit leven hier. De reden dat ze me heeft tegengewerkt is dat het haar simpelweg niet meer uitmaakt wat er met haar gebeurt."

"Wat moeten we dan doen?"

"Niks. Wachten tot het plan zich heeft uitgespeeld. Ze drijft zichzelf wel zo ver, let maar op."

"Ja, mijn koningin."

"Hoewel... We kunnen haar net zo goed nog even een extra zetje geven. Om het proces wat te versnellen. Ik weet wel iets, en dat is gelijk een goede wraak voor haar opstandigheid, wat me behoorlijk is gaan irriteren. Want ik weet dat er niks is waar ze een grotere hekel aan heeft."


Woedend was ik. Woedend. Ergens had ik wel geweten dat ik niet zo hard tegen de wil van de koningin in had moeten gaan. Ze was onvoorspelbaar en wraakzuchtig. Maar de verveling en irritatie om mijn magie en mijn leven hadden me ingefluisterd dat wat ze ook zou doen, mijn leven toch niet erger kon worden.

Wat een enorme fout was dat! Ik weet niet hoe, maar ze had de enige manier gevonden om dit rotleven van mij nog verschrikkelijker te maken. Wat een prestatie!

Maar dat maakte niet uit. Mijn wraak kreeg ik wel.

Alleen nu nog niet. En nu was het moment dat ik het wilde. Wraak op de hele coven. Voor mij meenemen toen ik nog zo klein was, voor me behandelen als een ongehoorzaam kind, voor me niet zien als een realistische bedreiging voor dit wereldje en alles wat het inhield. Maar op dit moment vooral voor het wagen mijn moeders naam te noemen op zo'n moment, me te bedreigen met die naam en in te wrijven dat zij wel informatie had die ze bewust voor mij achterhield.

Gehoorzamen zou ik. Vandaag, morgen en ik weet niet hoelang. Die informatie moest ik hebben, ik moest het weten. Dat wilde ik nog meer dan dit hele kasteel tot de grond toe afbranden. Maar ik zou het doen. Zodra ik het wist, zodra ik niet meer van ze afhankelijk was voor dát, ging deze rotplek in vlammen op.

De muren, de ingang, die afgrijselijke troonzaal, de gehele donjon en al helemaal deze godvergeten toren met deze godvergeten, idioot hoge trap. Branden zou het, tot het niet meer dan hoopje as was. Tot de kamer die me al die jaren geleden gevangen had gehouden, niet meer zou bestaan. Tot de deur die ik nu voor me zag en al die jaren gesloten was geweest, me binnenhoudend hoe ik ook krijste en duwde en sloeg, nooit meer iemand zou tegenhouden, niet eens een zwak mensenkind. Voor altijd zou hij even ver openstaan als ik hem nu openduwde, een extra zet meegevend met de magie die woest om me heen kolkte.

De magie die woest een aanwezigheid voelde in mijn kamer. In de hoek, afgeleid, niet op tijd merkend welk gevaar dreigde.

Mijn magie vulde de kamer en ergens moet de aanwezigheid het hebben gevoeld, want hij keek op. Hij keek op en keek me aan, het boek dat hij had zitten lezen in zijn handen. Het boek waar hij me zo onschuldig en puur en dapper om had gevraagd dat ik het hem had gegeven. Als een zwakke, lieve heks.

Als een mens. Door hem had ik dat gedaan, door de onschuldige, grote, bruine ogen die me nu aankeken. Die diep binnen in mij, onder alle woede en wanhoop en haat, iets lieten verschuiven. Iets lieten verschuiven dat ik niet wilde dat verschoof. Het zat prima op zijn plek en dit, hier had ik al die jaren voor gevochten. Het uitroeien van al het menselijke in mij.

Mensen waren zwak, gevoelens waren zwak, en hij zorgde ervoor dat het terugkwam. Hij bracht me tien stappen terug en dat wilde ik niet. Ik wilde vooruit, door naar die verdomde verdoemenis, het maakte me niks uit. Als ik maar los kwam, los uit dit vreselijke leven. Ik wilde niks meer voelen, alleen maar leegte en misschien wat wraak. Dat was waar ik uit wilde bestaan, iets anders was ondraaglijk. Maar door hem, door die vreemde aanwezigheid in mijn kamers, kwam het terug, en dat wilde ik niet.

Maar de koningin, oh die verschrikkelijke koningin, zij wilde dat ik hem bij me hield. Zij had hem mij toebedeelt. Ze wilde dat hij meeging naar die vreselijke plek waar ze me heen stuurde. En dus kon ik niks anders. Kon ik hem niet vermoorden of dumpen.

Er was maar een ding dat ik kon doen, en dat was hem breken. Als hij was gebroken zou hij me niks meer doen. Dan was hij een leeg omhulsel zoals alle andere dienstjongens die ik afgelopen jaren had gehad.

Dus liep ik op hem af. Ik toomde mijn magie een beetje in zodat hij niet enkel door de kracht ervan een hartstilstand zou krijgen. Ik glimlachte naar hem. Ik glimlachte, maar de glimlach kon mijn woede niet verbergen. Mijn woede, eigenlijk op de koningin gericht, maar dadelijk afgereageerd op de menselijke, breekbare jongen in mijn kamers.

En de jongen zag het. En hij was bang. Hoe dichter ik bij hem kwam, hoe banger hij werd. 

Ontsnapt aan de WraakWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu