Het voelt alsof ik aan de rand van een diepe afgrond sta
Jij zegt dat ik niet kan vallen, ik wacht tot wanneer ik ga
Mijn voeten zoeken naar vrede in hun onbalans
Als het gewicht op mijn schouders verzwaart
Heb ik mezelf niet een belofte gedaan?
Nu vraag ik mijn God dat hij me er aan kan houden
Ik weet niet hoe diep ik ga en wat daar onder op me wacht
Nooit eerder heb ik aan de hel gedacht
Mijn hoofd kluistert dingen waarvan ik het bestaan niet weet
Wie zegt dat ik hierna mezelf nog wel ben
Toch is mijn egocentrische angst slechts dat ik haar nog niet ken
Dus smeek ik dat de verhalen waar zijn
Ik weet dat Hij nu luistert en wil hem vertellen dat ik niet meer kan
Maar mijn woorden liegen dat mijn angst groter is dan duizelende diepten
Onzeker durf ik te geloven dat de riedels in mijn hoofd niet troebel zijn
Een goed einde had het mijne moeten zijn
De marteling in mijn verhalen blijft me kwalen
Ik ben nu het personage op iemands anders toneel
Wetend dat hij het beter kan dan ik, loop ik onhandig, schrijf ik mijn leven met voetstappen
Al grijp ik er nog weinig van
