Hoofdstuk 12

497 31 1
                                        

"Kim, ben je daar?" hoor ik de stem. Wauw die heb ik al lang niet meer gehoord denk ik bij mezelf. "ja sorry, het is lastig om me tegenwoordig nog te verschuilen dus kan ik niet altijd contact maken." Hoor ik in mijn hoofd. Oh ja, shit hij kon mijn gedachten lezen. Great... "verschuilen?" vraag ik dan maar. "ja, ik ben niet zo gewild hier denk ik." krijg ik als antwoord. "Nee daar heb ik wat aan." Mopper ik. "Kim onze connectie is sterker geworden, wat doe je? waar ben je?" man wat een saaie vragen krijg ik naar mijn hoofd geslingerd. "Ik zit in bed, ik mag niks anders omdat mijn arm er echt slecht aan toe is. En ik ben dus in bed." antwoord ik verveeld. "Hmmm, je zeg wel dat jij niks aan mijn antwoorden hebt maar aan de jouwe heb ik ook niks." hoor ik. "Sorry" denk ik. "Mijn arm is gebroken alleen hij begint nu ook nog te ontsteken dus mag ik niks, ik zit in bed en moet rustig aan doen. Ik zit in een herberg, ik heb geen idee welke stad. Ik heb geen huis omdat ik nu dus in een of andere wereld zit die niet gelijk is aan de mijne." een traan rolt over mijn wang en vormt een klein rondje in mijn deken. De gedachte geen huis te hebben is gewoon te erg en vooral als je niet weet wie je familie is, waar ze zijn, of ze überhaupt wel leven en of je ze ooit nog zal kunnen zien. nog een traan verlaat mijn oog. Ik mag niet huilen denk ik bij mezelf, ik moet sterk zijn. Ik heb niks te zeuren, de zware tijd gaat nog komen. "Je hebt gelijk. De zware tijd gaat zeker komen," hoor ik de stem. Ik schrik, ik was zo in gedachten verzonken dat ik de stem even vergeten was. "Kim ik moet weer gaan, ze komen er aan en ik moet me verschuilen. Ik moet nog éen ding zeggen en dat is: schiet op, het zal niet zo lang meer duren voordat Maraon zijn kans zal grijpen en dat gaat veel levens kosten." De stem is verdwenen. Ik voel me zoals eerder weer leeg. Ik wil hem al de hele tijd wat vragen maar krijg de kans er niet toe, mopper ik in mezelf. Hoe heet hij eigenlijk? Vraag ik mij voor de zoveelste keer af. En hoe kan hij met mij communiceren terwijl hij hier niet is? Wat is hij eigenlijk, is het een mens of een dier of een onbestaand wezen? Na een lange waslijst met onbeantwoordde vragen val ik in slaap maar niet zomaar een slaap, nee, in mijn hoofd speelt zich weer zo'n afgrijselijke droom.

Ik loop, nou eerder strompel. De hele dag ben ik al aan het lopen en het begint donker te worden, ik heb onderdak nodig want anders pakken de nachtdieren me. Ik ben ondertussen in een bos gekomen. Geweldig, nog meer kans op gevaar denk ik. Ik blijf het pad volgen, tot ik echt niet meer kan. Ik ga even aan de kant zitten. Zodra ik mijn schoenen uit doe zie ik dat mijn voeten helemaal kapot zijn gelopen aan de onderkant, ze doen ontzettend veel pijn. Het begint steeds donkerder te worden en ik trek mijn schoenen weer aan. De pijn zal ik maar even moeten negeren. Ik loop steeds verder het bos in. Rechts van me ritselt iets in de bosjes, een konijntje, ook op de vlucht voor het donker. Het is pikkedonker, ik zie nog maar een kleinbeetje ookal heb ik een goed nachtzicht. De bomen laten het licht van de prachtige halve maan niet door. Ik stop even en drink het laatste slokje water uit mijn fles, na even geprutst te hebben met de dop stop ik hem terug in mijn tas. Ik ga weer lopen, dieper het donkere bos in. Plots hoor ik gegrom, ik sta met een ruk stil en beweeg niet. Weer die grom. Heel langzaam draai ik me om en zie daar het lelijkste dier dat ik ooit heb gezien. Het slijmt heel erg en heeft duidelijk honger. Ik begin te rennen, harder en harder. Het pad raak ik kwijt. Al snel heeft het dier me ingehaald, wat had ik anders kunnen denken, met die gespierde poten. We lopen rondjes, beide klaar om aan te vallen. Het dier heeft zijn tanden ontbloot en gromt gevaarlijk. Ik heb een stok in mijn hand en hoop het dier daar mee af te kunnen weren. Het valt aan maar ik blokkeer het met een gemakkelijke zwaai van mijn stok. Ik ben goed getraind en kan goed vechten maar ik weet dat de vermoeidheid het van me gaat winnen. Het dier haalt uit met zijn poot, ik hou de stok paraat om te verdedigen maar die slaat hij aan stukken. De splinters vliegen in het rond en de stok valt neer. Nu heb ik geen stok meer waarmee ik me kan beschermen. Het dier haalt nog een keer uit en maakt 3 diepe sneeën in mijn buik. Ik krimp in een maar ben nog niet van plan op te geven. Na nog twee sneeën erbij trek ik het niet meer. Het wordt zwart voor mijn ogen en het enige wat ik nog denk is: iemand zal mijn missie moeten volbrengen, alstjeblieft iemand.

The other sideWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu