Wyatt's POV –
Het is tien uur. Ik weet niet waarom ik hier ben.
Of nee, dat weet ik dondersgoed. Ik wilde haar gezicht zien. Even. Eén blik.
De bioscooplichten werpen een zachte gloed over de straat. Mijn hoodie is doorweekt, en ik leun tegen een lantaarnpaal alsof ik gewoon wacht op een taxi of zo. Belachelijk. Mijn handen jeuken. Niet van de kou, maar van het wachten. Van wat ik misschien ga zien. Ik heb geen idee waarom ik hoop dat ze alleen is. Misschien omdat ik bang ben dat ze dat niet is.
En dan zie ik haar.
Onder het afdak, net buiten de draaideuren. Ze kijkt rond, alsof ze naar iets zoekt. Of iemand. Ze draagt een donkerblauw jasje dat duidelijk niet van haar is — het zit te ruim op haar schouders. Iets in mij trekt samen. Niet alleen door dat jasje. Door haar make-up. Haar haren zitten perfect. Haar huid glanst van de highlighter op haar jukbeenderen. Veel te mooi. Veel te netjes. Veel te gepland.
Dit is niet de Raven die ik ken. Niet de Raven die met ongekamde haren op school kwam, met scheve eyeliner en ogen die alles zagen. Dat meisje had geen glanslaagje nodig.
Maar toch is ze prachtig. Pijnlijk prachtig.
En ergens weet ik: dat jasje is niet van haar. Veel te groot. Het hangt over haar schouders alsof iemand het net nog liefdevol om haar heen heeft geslagen. Mijn kaken spannen zich aan. Ik weet niet van wie het is. Maar iets in mij—dat kutgevoel in mijn onderbuik dat altijd gelijk heeft—fluistert me toe dat het van hem is. Carter.
Mijn hand jeukt. Niet om hem te slaan, nee. Om haar aan te raken. Gewoon... om te voelen of ze echt is. Of dit echt is. Want ze is hier. En ik ben hier. En dit moment voelt als een slechte grap van het universum.
Ik leun tegen de lantaarnpaal, mijn capuchon diep over mijn hoofd. De regen druipt van de rand. Ik weet dat ze me ziet. Ze loopt naar voren, langzaam. En ik? Ik kan mezelf niet tegenhouden. Mijn voeten komen al in beweging voor ik bewust besluit haar te benaderen.
Ze stopt. Elke stap dichterbij laat mijn borst branden. Van woede, van verlangen, van spijt, ik weet het niet. Alles tegelijk. Haar ogen zijn op de grond gericht. Typisch. Ze wil me niet aankijken. Maar ze komt wel naar me toe. Dat is iets. Toch?
Ik doe alsof ik luchtig ben, opgewekt zelfs.
"Hey, vogeltje," zeg ik, een glimlach erbij die ik amper volhoud.
Ze deinst achteruit wanneer ik dichterbij kom.
"Wyatt," zegt ze. Haar stem is niet warm. Niet open. Ijzig zelfs.
Wat is er met haar gebeurd?
Ik graai in mijn zak. Ik stop het kettinkje dieper in mijn zak. Het lijkt me niet de beste stemming voor een vergevend-laat-verjaardagscadeau. "Hoe gaat het?" vraag ik, ongemakkelijk.
"Waar was je? Wat doe je hier?" Ze komt er meteen mee. alsof ze al lang besloten heeft me niet te laten ontsnappen. Ze kijkt me heel even aan en dan weer weg. Ik weet niet of ik dat opluchting of een klap moet noemen.
Ik zoek naar een antwoord. Een leugen die half als waarheid klinkt.
"Ik wil je erover vertellen, kom..." Ik steek mijn hand uit. Ik wil haar vertellen over Italië. Over mijn vaders graf. Om welke reden dan ook is zij de eerste die het moet weten. En mijn gevoel ruikt onraad. Alsof ik nog wanhopiger ben om het te vertellen, want iets in mij zegt dat ze nog steeds erg boos is.
Ze trekt zich zachtjes terug. Niet fel. Maar genoeg om me te laten weten dat ik haar niet mag raken.
"Nee. Dat is niet nodig." Haar stem trilt. Ze slikt. "Het hoeft helemaal niet meer."
Wat?
"Wat bedoel je?" Ik zet een stap naar voren. Automatisch. Altijd die stap naar voren, altijd als iemand terugdeinst. Idioot.
Ze kijkt omhoog. Haar blik is moeilijk te lezen.
"We moeten stoppen met elkaar te zien," zegt ze. Alsof het niks is. Alsof ik niet nachten wakker heb gelegen met haar naam in mijn kop.
JE LEEST
Lessons from the Badboy
RomanceRaven is een doodnormaal tienermeisje, oké doodnormaal kun je het niet noemen. We zullen zeggen een 18-jarig tienermeisje met een lichte obsessie voor haar klasgenoot Carter en met lichte obsessie bedoel ik elke dag een uur naar zijn Facebook foto'...
