||53|| De Gevangene

868 86 112
                                        

"The worst prisons were not constructed of warped steel and stone. They were carved out of expectations and lies, judgment and corruption."

―Kelseyleigh Reber, If I Resist

De stalen handen van de bewakers waren strak om Elys' armen geklemd en toen ze haar in een cel gooiden was ze opgelucht ― totdat ze hard de ijskoude stenen grond raakte. Ze kreunde en krabbelde overeind. Met al haar kracht bonsde ze tegen de massieve metalen deur die de bewakers achter haar hadden gesloten, maar het hielp niet. Haar geschreeuw en getier stierf weg in de donkere cel toen ze zich realiseerde dat de bewakers niet terug zouden komen. Ze was opgesloten, een Ignuraanse gevangene, en ze wist niet voor hoe lang.

Elys zuchtte en liet zich met haar rug tegen de deur ineenzakken op de grond. Tranen prikten in haar ogen en ze sloeg haar armen om haar opgetrokken benen. Hoe had dit kunnen gebeuren? Ze had Celia's twijfel gezien, alsof het was geschreven op haar gezicht, maar toch had de koningin de bewakers geroepen en hen ― allemaal in een andere cel ― laten opsluiten. De bewakers hadden Elys door meerdere duistere gangen en trappen naar beneden geleid en ergens onderweg had ze Ash, Sage en Lila uit het oog verloren.

Tranen begonnen nu over haar wangen te lopen en Elys probeerde ze verwoed weg te vegen, maar er zat een waterval verscholen achter haar ogen. Haar ademhaling was trillerig en onregelmatig, maar ze kon het niet helpen als ze dacht aan de situatie waarin zij, Ash, Sage en Lila nu verkeerden. Ze voelde zich verschrikkelijk en haar hart werd verbrijzeld als ze eraan dacht dat dit wel eens het einde kon betekenen van hun reis en dat niet alleen. Als ze hier niet wisten weg te komen, dan zou het te laat zijn. Ash zou doodgaan. Helemaal alleen in een koude, donkere cel.

Wanhoop vlamde op in haar lichaam en Elys begon harder te huilen. Moedeloos legde haar hoofd op haar knieën.

''Wie is daar?''

Elys schrok op. Haar hart bonkte in haar keel en ze veegde haar tranen weg terwijl ze haar blik ― voor het eerst ― door de cel liet glijden, op zoek naar de eigenaar van de diepe stem.

De cel was groter dan ze had verwacht en alle wanden waren opgetrokken uit steen dat bijna zo donker was als een sterrenloze nacht. Er was geen licht in de cel ― afgezien van het licht dat door een piepklein raampje in de deur naar binnen kwam ― maar Elys' ogen begonnen te wennen aan de duisternis. Vaag kon ze een stenen bank zien en een contour van een persoon.

Haar keel voelde dik aan door haar gehuil, maar ze slikte en zei: ''Ik ben Elys.''

Ze wachtte even, maar er kwam geen reactie. Ze fronste en bewoog langzaam naar de persoon toe ― nog steeds niet in staat om hem goed te zien.

''Ik ... wie bent u?'' vroeg ze verbaasd terwijl ze haar ogen samenkneep. ''Ik kan hier niet goed zien en ― ''

De persoon bewoog en de fakkels aan de muren ― die Elys niet waren opgevallen ― werden aangestoken. Kleine, oranje vlammetjes knisperden en wierpen een warm maar zwak licht door de cel.

Elys kon de man ― een vuurstuurder realiseerde ze zich ― nu eindelijk beter bekijken.

Hij zat op de stenen bank, vellen perkament in zijn handen, en zijn donkere, krullende haar viel over zijn voorhoofd. Voorzichtig schuifelde ze dichterbij.

Ze kon nu zien dat de man prachtige tekeningen vasthield en naast hem lagen afgebroken stukjes houtskool. Hij mompelde zachtjes in zichzelf en Elys kon zijn gebrabbel niet verstaan. De man droeg zwarte, Ignuraanse kleding met gouden stiksels ― dure kleding ― en onmiddellijk bekroop haar een vreemd, zeurend gevoel. Het klopte niet. Hij was een gevangene in deze ondergrondse, vochtige cel waar het rook naar dode rataki en eeuwenoud stof, maar hij zag eruit alsof hij een gegoede burger was, als iemand die elke dag zijn maag goed kon vullen.

The Frostfire PrinceVerhalen om door geobsedeerd te raken. Ontdek het nu