Beetje een kort hoofdstukje
Sorry dat het updaten zo lang duurde. (Het is zulk lekker weer buiten dus dan heb ik niet echt zin om uren binnen te zitten schrijven.)
Ik zal morgen ook nog wel een hoofdstuk uploaden. Bedankt voor het lezen, comments en de votes! :)
<3
---------------------------------------------------------------------------------------
'Ik wil dat jullie even door de stad rijden om te kijken waar dit adres precies is.' Ik duwde het briefje dat Edgar me had gegeven in Jean zijn hand en sprong daarna uit de auto. 'Ga nog niet naar binnen en probeer zo min mogelijk op te vallen. Ik zie jullie over een half uur bij het café waar we net langskwamen. Begrepen?'
Jean keek met een verward gezicht naar het briefje. 'Maar wat ga jij dan doen?' Vroeg hij.
'Ik moet even iets halen.'
Aly keek me vanaf de achterbank achterdochtig aan. 'Isaac, je gaat toch niet naar dat oude huis. Wat als er daar vallen zijn geplaatst?'
'Er is daar niks meer, Isaac,' stemde Shane in. 'Kom met ons mee.'
Ik gooide de autodeur dicht. Dit was mijn keuze.
'Ik zie jullie zo.'
Shane zuchtte en schoof achter het stuur. 'Wees voorzichtig,' zei hij voor hij de motor startte en wegreed.
Ik bleef even staan.
De regen kwam met bakken uit de lucht en het was koud.
Niet dat het mij veel deed.
Weerwolven hadden een hogere lichaamstemperatuur. We kregen het minder snel koud.
Ik draaide me om naar het bos.
Ik wist niet zeker of ik honderd procent klaar was om terug te gaan. Of ik klaar was om terug te gaan naar de plek waar ik alles was verloren toen ik nog maar zeven jaar oud was.
Ik zette nog een stap en viel bijna voorover. Zodra ik weer stevig overeind stond keek ik geïrriteerd om naar wat ervoor had gezorgd dat ik bijna in de modder was gevallen.
Ik fronste toen ik zag dat het een blauwe fiets was. Het leek alsof de fiets er zomaar was neergesmeten.
De fiets zag er nieuw en schoon uit dus ik nam aan dat degene van wie de fiets was nog in de buurt was.
Ik negeerde de fiets en liep het bos in.
Ik vroeg me af wat iemand alleen in het bos deed in dit rotweer.
Ik dacht er echter niet al te lang over na aangezien ik grotere zorgen had. Zoals het huis dat steeds dichterbij kwam. Ik wist niet wat ik precies zou voelen als het huis eenmaal in het zicht zou komen, maar ik wist dat het geen prettige gevoelens zouden zijn.
De waterdruppels liepen via mijn nek in mijn jas en doorweekte de achterkant van mijn trui. Ik vond het best fijn. Lekker verkoelend.
Ik herinnerde me hoe ik en mijn broers vroeger, als het regende, onze truien uittrokken en in de regen rond renden, tot onze benen ons niet meer konden dragen. Ik herinnerde me hoe boos onze moeder altijd was wanneer we weer naar binnen kwamen met modder onder onze schoenen.
Ik stopte toen het huis in zicht kwam.
Het was nog zo hetzelfde maar tegelijkertijd ook zo anders.
De planken hout waren hun scherpe donkerbruine kleur kwijt en hingen op sommige plekken los. De open plek om het huis heen stond niet meer vol met bloemen, plantjes en paddenstoelen.
Het gras was verdord en de veranda zag er gewoon triest uit.
Langzaam liep ik naar de ingang van het huis. Met een eenvoudige beweging sprong ik over de treden van de veranda en lande ik recht voor de deur.
Toen hoorde ik het.
Een hartslag.
Er was iemand in het huis.
Ik sloot mijn ogen en probeerde te horen waar de persoon precies was. Was het een jager?
Al had ik geen idee wat een jager hier nog zou moeten doen. Ze hadden hier niks meer te zoeken.
De persoon was op de trap. Ik hoorde hoe hij of zij zijn voet neerzette op de bovenste trede.
Ik opende de voordeur. Ik voelde een woede in mijn borst opborrelen. Hoe durfde de jagers nog steeds hier te komen. Hoe durfde ze mijn huis binnen te dringen nadat ze al zoveel schade hadden aangericht.
Ik was klaar om de persoon uit elkaar te scheuren met mijn klauwen.
Met vastbesloten stappen stormde ik mijn huis in. Op dat moment hoorde ik het geluid van brekend hout en daarna een hoge gil.
Mijn ogen vlogen naar de persoon boven aan de trap. Het was geen jager. Dat wist ik zeker.
Het meisje haar gezicht was niet echt goed zichtbaar. Ik hoorde hoe haar hart en ademhaling versnelde toen de trap onder haar voeten instortte. Zonder erover na te denken rende ik naar voren.
Net voor het meisje de grond raakte ving ik haar op.
Ze was licht dus ik had geen moeite om haar gewicht op te vangen.
Het meisje had haar ogen dicht geknepen en haar armen beschermend om zichzelf heen geslagen.
'Wat doe je hier?' Vroeg ik. Ik wou haar neerzetten maar dat was het moment waarop ze opeens uit het niets met haar benen schopte, recht in mijn kruis.
Ik liet haar meteen los en viel kreunend op mijn knieën op de grond.
'O mijn god!' Hoorde ik het meisje paniekerig roepen. 'Het spijt me zo erg!'
Ik voelde de stekende pijn niet alleen in mijn kruis maar ook in mijn onderbuik.
Het deed zo een pijn dat ik het gevoel had dat ik moest overgeven. Ik haalde diep adem door mijn neus. Ik boog mijn hoofd naar beneden tot mijn kin tegen mijn borst aankwam en bleef zo even zitten.
Toen ik niet meer het gevoel had dat het meisje mijn ballen terug in mijn buik had geschopt, steunde ik met mijn hand tegen de muur en kwam langzaam overeind.
'Gaat het?' Vroeg het meisje bezorgd maar ze kwam niet dichterbij. In plaats daarvan had ze zelfs een stap achteruit gezet.
Ik keek naar haar op.
Ik hoorde hoe het meisje haar hart stopte met kloppen. Ik vroeg me af of ze hier ter plekken dood neer zou vallen. Mijn ogen gleden even vlug naar haar borstkas. Toen ik haar hart weldra meteen weer verder hoorde kloppen keek ik haar weer aan.
Ze keek me geschrokken aan.
Het meisje had een fijn, rond gezicht met lang kastanjebruin haar dat zorgvuldig in laagjes was geknipt. Haar haar was misschien een tintje donkerder geworden door de regen. Haar haar plakte in rommelige natte slierten tegen haar gezicht aan.
Haar wangen waren fel roze gekleurd door de kou.
Haar mond hing open.
'Dit huis is geen toeristische attractie,' zei ik bits.
Het meisje reageerde niet. Ze keek me alleen maar aan met die verbaasde, geschrokken blik.
Misschien kwam het door de val van de trap. Ik keek even vluchtig achter haar naar de houten planken die eens de wenteltrap waren.
Na een seconde richtte ik mijn ogen weer op haar en zag dat haar ogen bedachtzaam over mijn lichaam heen gleden. Toen het meisje me weer aankeek had ze een onleesbare blik op haar gezicht. 'Isaac Baine?' Vroeg ze.
Ik probeerde mijn blik neutraal te houden.
Hoe wist ze wie ik was?
Meteen scande ik het gebied met mijn oren. Werkte ze samen met jagers? Was het een hinderlaag?
Ik hield mijn ogen strak op haar gericht. Als dit een val was zou zij de eerste zijn die zou sterven.
Toen ik klaar was met het gebied doorzoeken kon ik echter bevestigen dat wij de enige in de omgeving waren.
Het meisje leek te beseffen dat haar mond openstond en deed hem dicht. Haar handen vlogen naar de zakken van haar met water doordrenkte vest. Wat pakte ze? Een pistool? Gifpijltjes?
Ik zette me schap om haar aan te vallen.
Mijn ogen lichtte op en ik gromde.
Daar leek ze van te schrikken want ze struikelde naar achter. Als de muur niet achter haar had gestaan was ze waarschijnlijk achterover gevallen.
Ik besefte me dat ze waarschijnlijk alleen haar handen in haar zakken had willen doen, omdat het koud was.
Toen viel het me pas op dat ze een grote, rode plek op de zijkant van haar gezicht had.
Ook zag ik achter haar op de grond iets wits liggen. Waren dat pillen?
Die had ze zeker laten vallen toen de trap in stortte.
Ik hoefde niet lang te raden wat ze daarmee van plan was geweest.
'Waarom huil je?' Vroeg ik toen het me opviel dat haar ogen rood waren. Misschien had ze zelf niet doorgehad dat ze had gehuild want ze keek me verward aan.
Ze veegde vlug langs haar ogen. Ze haalde haar schouders op. 'Het regent,' zei ze onverschillig. Er liep inderdaad nog water van de regen over haar gezicht vanuit haar haar, maar dat was niet wat ik bedoelde en dat wist ze.
Ze ging weer met haar handen naar haar zakken maar bedacht zich. Waarschijnlijk door mijn uithaal van net.
'Hoe heet je?' Vroeg ik.
'Tessa,' antwoordde ze.
Het viel me op dat ze constant in beweging was. Ze schuifelde met haar voet en friemelde aan de rand van haar vest. Ze vertrouwde me niet.
Dat maakte twee van ons.
'Oké, Tessa. Moet je niet naar huis gaan? Je ouders zoeken je vast.'
Daarop trok Tessa een kritisch gezicht. Alsof dat het laatste was waar ze in deze situatie aan dacht. Ze veegde met haar mouw langs haar ogen en snoof, maar zei verder niks.
'Hoor je niet op school te zitten?' Vroeg ik. 'Het is pas tien voor tien.'
'Nee, ik heb vrij vandaag,' zei ze. Haar hartslag week abrupt af over. Ze loog.
Als mensen logen konden weerwolven het horen. Je hart sloeg geen slag over maar leek een seconden vast te haken zonder dat je het zelf door had.
Het meisje keek opzij naar het gat in de muur van de woonkamer en daarna naar de voordeur. Alsof ze afwoog wat een betere manier was om het huis zo snel mogelijk te verlaten.
Ze was via het gat in de muur naar binnen gekomen vermoedde ik, gezien de stof op haar kleding.
'Ehm,' begon ze met een ongemakkelijke stap naar voren. 'Dan ga ik maar.' Ze wou langs me heen lopen maar leek te twijfelen. Ze keek naar de ruimte tussen mij en de muur, afwegend of het breed genoeg was om er snel langs te racen. Ze besloot dat dat niet zo was en bleef zenuwachtig op haar plek staan.
Dit was de schuld van jagers. Ze hadden ons afgeschilderd als monsters en zo werden we nu ook behandeld.
Het irriteerde me dat het meisje dacht dat ik haar pijn zou doen. En dat terwijl ik haar zojuist had gered.
Pas toen ik twee stappen achteruit zette en meer ruimte maakte liep ze naar voren.
De voordeur stond nog steeds open.
Ik zag Tessa onhandig van de veranda afspringen. Toen ze met beiden voeten op de grond stond draaide ze zich naar me om.
'Ehm...bedankt voor het vangen,' zei ze met een geforceerde, onzekere glimlach.
Ik knikte een keer kort.
Ze leek nog iets te willen zeggen, of vragen. Het leek eerlijk gezegd alsof ze meer dan honderd vragen had. Ik was blij dat ze ze niet vroeg. Ze wist dat ik ze toch niet zou beantwoorden.
Ze draaide zich om zonder verder nog iets te zeggen en verdween uit het zicht.
Zonder mezelf af te vragen waarom, volgde ik haar hartslag tot ze weer veilig op de hoofdweg was aangekomen en haar fiets van het gras optilde.
Ik ging pas verder met waar ik mee bezig was toen ze op haar fiets stapte en wegreed.
JE LEEST
This Is War (unfinished)
Manusia SerigalaEr vind zich al jaren een oorlog plaats tussen de weerwolven en de jagers. in een poging die oorlog te stoppen, of beter nog; hem te winnen, gaat een kleine roedel op een missie om de burgemeester te ontvoeren. Het plan loopt anders dan gepland...
