'O mijn god.' Ik sprong overeind van het bed. 'Noah!'
Ik wist Noah op te vangen voor hij naar de grond viel.
De bewaker sloot de tralies achter hem. Hij gaf ons een kleine grijns voor hij zich omdraaide en wegliep.
'Wat hebben ze met je gedaan!?' Ik nam Noah's betraande gezicht in mijn handen. Hij trilde over zijn hele lichaam.
Ik trok hem mee naar één van de twee bedden in de kleine cel en dwong hem om te gaan zitten. Er zaten grote, dieprode vlekken in de achterkant van zijn trui.
Ik trok zijn trui een stukje omhoog om de schade te bekijken.
Ik vloekte toen ik de vele diepe sneeen in de huid van zijn rug gegraveerd zag.
Deze mensen waren monsters.
'Het is oke, Tessa,' zei Noah in een poging me gerust te stellen.
'Natuurlijk is het niet oke!' Riep ik.
'Ik heb geluk gehad,' zei hij. 'Als Aaron me geen strafvermindering had gegeven...'
'Doe je trui uit,' zei ik. Ik zou hem helpen de wonden schoon te maken.
Noah trok een pijnlijk gezicht toen hij zijn trui uit probeerde te trekken. Ik hielp hem.
Ik wou ook de halsband voor hem af doen, maar dat wou hij absoluut niet.
'Ze zouden je niet eens moeten straffen. Je probeerde alleen maar iemand te helpen,' zei ik.
'Dat is niet hoe zij het zien.'
Ik pakte het flesje water dat we twee uren geleden hadden gekregen. Ik goot wat van het water op Noah zijn T-shirt en gebruikte het als een lap om het bloed van zijn rug te vegen.
Noah trok een grimas.
Toen ik hier net in de cel was gegooid, was Noah hier geweest. Eerst was ik bang geweest dat ze me expres zouden opsluiten bij één of andere gek, maar Noah was misschien de vriendelijkste persoon die ik ooit had ontmoet.
Hij verdiende dit niet.
Hij had me verteld dat hij hier al zes jaar was. Hij was tien geweest toen hij was ontvoerd van zijn eigen achtertuin. Hij had zes jaar moeten werken, zich moeten uitsloven, voor deze hufters.
Hij had geen idee of zijn familie nog leefde. Of ze waren vermoord of gevlucht. Niks.
Zes jaar in onzekerheid.
Ik kon me niet voorstellen hoe dat zou moeten voelen.
Hij was nu zestien en was in de laatste zes jaar maar twee keer naar buiten geweest. Eén keer om, samen met de andere slaven, te helpen bij het planten van de bomen, die langs de hekken stonden. Dat was vijf jaar geleden. De tweede keer was een paar minuten geleden, om de zweepslagen te ontvangen, wat ze niet binnen deden omdat het te veel werk zou zijn om het bloed op te ruimen.
Noah had een donkere huid, zacht, krullend, zwart haar en zag er en beetje uitgemergeld uit. Ik wou hem hier weghalen. Hem zijn vrijheid terug geven.
Dat ging alleen niet.
Ik wist niet eens of ik hier zelf ooit nog weg zou komen.
Als ik Noah was geweest had ik alleen maar willen huilen. Het willen uitschreeuwen. Mijn hoofd tegen de tralies aanbeuken in pure wanhoop.
Dat deed hij echter niet.
Hij glimlachte.
'Ik was vergeten hoe zacht het gras is,' zei hij zachtjes tegen me.
Om één of andere reden was die glimlach, gemengd met die woorden, triester dan iedere andere mogelijke reactie. 'Ik was vergeten hoe fris de wind is en hoe de maan en sterren eruitzien. Het getjirpt van vogels.' Hij sloot zijn ogen alsof hij het opnieuw voor zich zag. 'Het was een beeldschoon.'
Ik kon me niet voorstellen dat Noah in staat was om op al die dingen te letten terwijl hij zo wreed gemarteld werd.
'Dit moet gehecht worden, Noah.' Ik maakte het T-shirt opnieuw nat.
Hij lachte bitter. 'Succes daarmee. De ziekenboeg is alleen voor mensen die op sterven liggen.'
'Wat als het gaat ontsteken?'
'Dan heb ik pech,' zei hij simpelweg.
Ik drukte mijn lippen op elkaar. Ik drukte het T-shirt zachtjes tegen zijn rug aan.
Toen ik klaar was gooide ik het T-shirt in de hoek van de cel. Ik gaf het flesje aan Noah. 'Drink wat.'
'En jij dan?' Vroeg hij met een frons. 'We zullen voorlopig vast geen water meer krijgen.'
Ik wuifde het weg. Mijn lippen waren een beetje droog, maar ik zou het wel overleven. 'Jij hebt het harder nodig. Drink.'
Hij knikte dankbaar en pakte het flesje met nog steeds trillende handen aan.
'Celcheck!' Klonk het in de hal.
Ik fronste. 'Wat is een celcheck?' Ik liep naar de tralies. Tegenover onze cel was een andere cel. Er zat niemand in.
We bevonden ons in een lange gang met minstens elf cellen. Er waren er voor zover ik wist maar twee leeg.
Er stond constant een bewaker bij de ingang.
Het was hier nooit stil. Er werd altijd geschreeuwd of gehuild. Er was een man een paar cellen verderop die een uur lang hardop uit de bijbel had opgelezen. Na drie waarschuwingen van de bewaker had hij hem zijn cel uit gesleurd en meegenomen.
De bijbel man was nog steeds niet terug.
'Ze controleren om de drie uren of iemand zelfmoord heeft gepleegd,' zei Noah. Zijn stem klonk hees. Alsof het hem moeite kostte om te praten.
Ik keek met grote ogen naar hem om. 'Waarmee zou je hier zelfmoord moeten plegen?'
'Het zal je verbazen hoe creatief sommige mensen zijn.' Noah wou nog een slok nemen uit het flesje, maar het was op. Hij vloekte. 'We krijgen pas morgen avond nog een flesje.'
'Ik weet niet eens hoe laat het is,' mompelde ik.
'Na een aantal dagen in de cel wen je daar wel aan.' Hij liet het flesje op de grond vallen.
Ik keek toe hoe de bewaker de cellen langs ging.
Het moest wel laat zijn. Rond half één misschien.
'Waarom is iedereen zo laat nog wakker? Hebben weerwolven soms geen slaap nodig ofzo?' Vroeg ik. 'Wie houd er nou een rechtszaak in de nacht?'
Aly, Jean, Shane en Isaac hadden wel geslapen die nacht in het motel. Misschien was het iets waar ze voor kozen, maar was het niet noodzakelijk?
Noah lachte. 'Ze hebben minder slaap nodig, maar ze moeten wel degelijk slapen net als wij.' Hij haalde zijn schouders op. 'Ze doen de dingen hier gewoon liever s'avonds. Na twee uur wordt het stil.'
'Mogen slaven ook los rondlopen?'
Noah schudde zijn hoofd. 'Alleen als je een taak hebt. Bijvoorbeeld helpen in de keuken, schoonmaakdienst, serveren van eten of tuinieren. De andere slaven moeten bij hun eigenaren blijven.'
'Waarom heb je nooit geprobeerd om de functie tuinieren te krijgen?' Vroeg ik. 'Dan kan je iedere dag naar buiten.'
'Zo werkt het niet. De leiders beslissen of je een taak krijgt aangewezen en je kan niet zomaar wisselen.'
'Welke taak heb jij?'
'Ik ga over de electra. Als er een lamp kapot gaat, of de televisie het niet meer doet regel ik het.'
De bewaker liep langs onze cel.
'He,' riep ik hem na. De bewaker stopte met lopen. 'Zijn wonden moeten gehecht worden.' Ik wees naar Noah. Noah schudde met grote ogen zijn hoofd naar me. 'Hij heeft een dokter nodig,' ging ik koppig verder ondanks Noah zijn waarschuwing.
Als het niet gehecht werd zou de wond niet mooi genezen. Het zouden duidelijk zichtbare littekens worden. Je had kans dat er vuil in kwam.
De bewaker draaide zijn hoofd naar me om. 'Is dat zo?' Hij liep terug naar onze cel met zijn ogen op mij gericht.
'Dat is zo.' Ik keek hem hardnekkig aan.
De bewaker pakte zijn sleutels uit zijn zak.
De vrouw in de cel schuin tegenover ons lachte. Haar tanden waren geel en zaten vol met gaatjes. 'Je zit diep in de problemen, meisje,' grinnikte ze. Haar haar stond alle kanten op. 'Vermoord haar! Vermoord haar! Vermoord haar!' Ze rammelde met de tralies. Haar ogen stonden krankzinnig.
Ik vroeg me af hoe lang ze hier al zat opgesloten.
'Hou je kop verwilderde bos heks,' riep de bewaker over zijn schouder naar haar.
Hij trok de deur open. 'Je bent nieuw hier, dus ik zeg het maar één keer,' zei hij tegen mij. Hij torende tien centimeter boven mij uit. Ik slikte nerveus. 'Je bent niet in een positie om eisen te stellen.. Ik bepaal of iemand naar de ziekenboeg moet. Ik. Niet jij.'
'Misschien wordt het dan tijd dat je wat beter leert inschatten hoe ernstig de verwondingen zijn,' zei ik.
De bewaker lachte even voor hij me onverwachts hard in mijn gezicht sloeg. Ik voelde zijn nagels in mijn huid snijden. Nog voor ik ervan kon herstellen gaf hij me een harde duw. Ik viel achterover en belande met mijn kont hard op de grond.
Noah stond op om me te helpen.
'Als je niet gaat zitten ben jij de volgende,' siste de bewaker. Noah gaf hem een kwade blik, maar liet zichzelf weer zakken op het bed.
De bewaker keek op mij neer. 'Onthoud dit voor een volgend keer. Een grote mond wordt hier afgestraft. Wees nog eens brutaal, dan gooi ik je in de cel met gekke Betty daarzo.' Hij knikte naar de vrouw met het wilde haar en de gele tanden.
Ze gaf me een vieze grijns en een knipoog.
Toen de bewaker zich omdraaide en de cel uitliep liet ik mijn ingehouden adem ontsnappen.
'Gaat het?' Vroeg Noah direct.
Ik knikte. Ik negeerde de pijnlijke plek op mijn wangen veegde het bloed weg. 'De grond is nog comfortabeler dan het bed,' grapte ik. 'Is het wel eens iemand gelukt om te ontsnappen?' Ik keek Noah hoopvol aan.
'Meestal worden ze gepakt.'
'Meestal?'
'Er zijn een paar succesvolle pogingen geweest, maar dat was nooit de slaaf alleen. Ze werden geholpen door hun meester of meesteres.'
Ik fronste. 'Waarom zouden de weerwolven hun slaaf helpen ontsnappen?'
Noah haalde zijn schouders op. Hij trok een grimas toen de beweging aan zijn wonden trok. 'Uit medelijden misschien. Er zijn een aantal gevallen geweest waarin de meester of meesteres verliefd werd op de slaaf. Dan ontsnappen ze samen.'
'Mogen de weerwolven dan niet komen en gaan wanneer ze willen?'
Noah schudde zijn hoofd. 'De leiders doen alsof het wel zo is, maar als je weg wilt moet je het eerst aanvragen. Je moet toestemming hebben.'
'Vreemd.' Ik begreep het als ze niet weg wouden. Het was hier immers veilig voor ze. Wat ik niet begreep is waarom ze niet weg zouden mogen als ze dat wilden.
Isaac, Aly, Jean en Shane waren hier als het erop aan kwam dus, net als ik, gevangenen.
'Je hebt me nog niet verteld hoe je hier terecht bent gekomen,' zei Noah. Hij ging kreunend op zijn zij liggen op het harde bed.
'Mijn vader heeft een belangrijke positie in de oorlog,' zei ik. 'Ze kwamen hem ontvoeren. Hij was er niet, dus namen ze mij mee.'
'Wie is je vader dan?'
'Marc Grimes.'
'De burgemeester?'
Ik knikte.
'Hoe kan het dat je nog niet gered bent?' Vroeg hij een beetje verbaasd. 'Hij is duidelijk grote vrienden met de jagers.'
Daarop fronste ik. 'Wat laat je dat denken?'
'Iedere uitspraak die hij doet is in het voordeel van de jagers.'
Daar dacht ik over na. Noah was de tweede persoon die dat zei.
Ik had mijn vader altijd als een neutraal iemand gezien. Iemand die iedereen wou helpen. Daarom was hij immers burgemeester geworden. Tenminste dat was wat hij had gezegd.
Wat als ik het verkeerd had?
Nee, dat wou ik niet geloven. Dat kon ik niet geloven.
Noah begon te hoesten. Een nare droge hoest.
'Probeer wat slaap te krijgen,' kuchte hij. 'Je hebt al je kracht nodig hier.'
'Ik ben niet moe.' Loog ik.
Ik was moe. Ik geloofde alleen niet dat ik in deze cel zou kunnen slapen. Niet wanneer mijn toekomst zo onzeker was. Ik gaf hem een klein glimlachje. 'Rust jij maar wat uit,' zei ik.
Noah sloot zijn ogen. 'Wie weet,' zei hij met gesloten ogen. 'Misschien is het als we weer wakker worden een mooiere dag.'
Dat betwijfelde ik. Ik bewonderde echter Noah zijn levendigheid. Hoe hij na zes jaar nog steeds in staat was om hoopvol te blijven. Hoopvol op een beter leven.
'Misschien...'
JE LEEST
This Is War (unfinished)
WerewolfEr vind zich al jaren een oorlog plaats tussen de weerwolven en de jagers. in een poging die oorlog te stoppen, of beter nog; hem te winnen, gaat een kleine roedel op een missie om de burgemeester te ontvoeren. Het plan loopt anders dan gepland...
