Ik kom met een harde klap op mijn voeten terecht. Ik ren een stukje door en glijd bijna uit doordat de grond besneeuwd is. Ik hoor Marion schreeuwen en ren naar de zijkant van de straat, waarna ik een zijstraatje in glip. De truck zie ik enkel doordat hij lichten heeft en ik weet dat ik zelf amper te zien ben. Ik trek de capuchon van mijn vest over mijn hoofd en ren richting mijn huis. Ik weet dat ik heel erg in gevaar ben. Ik zal herkend worden; mensen kennen me, mensen zijn naïef en zullen me zo aangeven. Ik weet het, maar toch blijf ik met mijn capuchon over mijn hoofd getrokken richting huis lopen. Ik ren zo hard als de gladde grond toelaat, terwijl ik me bedenk dat Marion en Jeffrey zo direct met de truck het hele dorp zullen doorzoeken. Ik moet opschieten, heb geen tijd te verliezen. Ik kom aan in mijn straat en zet een laatste sprint in. Ik hoop met heel mijn hart dat het donker en de sneeuw genoeg zullen zijn om me onzichtbaar te maken voor alle mensen die al wakker zijn. Als ik dichtbij genoeg ben, zie ik mijn huis. Niet goed, de straatlantaarns zijn niet aan, waarschijnlijk kapot, maar ik kan mijn huis zien. Ik knip mijn zaklamp aan en ga over het huis voor me. Het is er het ergs aan toe van alle huizen tot nu toe. De volledige bovenverdieping is eraf gebrand, op de wanden staan bedreigingen en haatmeldingen en het raam is gebroken. Mijn adem stokt even, maar desondanks zet ik mijn zaklamp uit en loop ik naar de deur. Ik duw er tegen aan en hij opent met een luid gekraak, waarvan ik hoop dat niemand het heeft gehoord. Ik ga naar binnen, sluit de deur achter me en loop door de gang naar de woonkamer.
"Mam?" roep ik zo hard als ik durf, "Mam? Ben je daar?"
Het blijft stil. Natuurlijk blijft het stil; waarom zou ze in vredesnaam in dit kapotte huis blijven? Al hoewel, ze kan natuurlijk wel in de kelder zijn. Ik loop richting de kelder en blijf voor de deur even staan. Ik klop op de deur en wacht even op antwoord. Ik wil de deur net openen als ik een zachte, bange stem hoor.
"Wie is daar?"
Het klinkt niet als mijn moeder. Nee, het is mam niet. Wie dan? De stem klinkt veel jonger. Plotseling voel ik me niet meer veilig in mijn eigen huis. De stem weer, deze keer harder.
"Wie is daar?"
En dan herken ik de stem. Dat.. Dat is Esmée!
"Esmée?" vraag ik.
"Evelien?" fluistert zij.
Ik durf de deur te openen en ga naar binnen. Als ik beneden kom zie ik een zwak licht van een vuurtje in de hoek komen. Niet genoeg om te zien wie er binnen zijn. Ik hoor verschillende ademhalingen. Meer dan één; Esmée is niet alleen. Ik knip het licht van mijn zaklamp aan en ga ermee door de kamer. Ik had gelijk, Esmée is er. Maar niet alleen Esmée is er, ook Tess en Dave zijn er.
"O mijn god" fluister ik. En dan komen ze alle drie op me af rennen. We komen terecht in een groepsknuffel en al gauw hoor ik Tess en Esmée huilen.
"Het komt goed" mompel ik, al heb ik er zelf niet veel vertrouwen in.
Na een lange tijd, als ik ze eindelijk los laat, vraagt Dave met een gebroken stem:
"Wat is er allemaal gebeurd?"
Ik besluit ze alles te vertellen. Deze mensen, zij zijn heel lang alles geweest voor me. En ik heb ze achter gelaten. Maar zij zijn zulke goede vrienden dat ze niet boos op me zijn.
"Ik vertel alles," zeg ik, waarna ik de zaklamp aan de oude lamp aan het plafond hang, "kom even zitten."
We gaan in een kringetje zitten. Ik kijk naar mijn vrienden. Tess, nog steeds met lang, licht haar en een bril op haar neus, ziet er heel volwassen, maar tegelijkertijd heel breekbaar uit. Esmée, met haar lange bruine haar dat over haar schouders valt, ziet er sterk, maar gebroken uit. En Dave, Dave met zijn korte, donkere haar en donkere huidskleur, ziet er doodongelukkig uit. Alle drie lijken ze geschokt door mijn voorkomen.
Iets in me breekt. Deze mensen, ik heb ze kapotgemaakt.
"Dus," begint Tess, "wat is er allemaal gebeurd?" Haar stem klinkt bang, onzeker, maar tegelijkertijd nieuwsgierig. Ik begin te vertellen.
"Ik fietste naar huis vanaf school, toen er een bom ontplofte bovenop een groot flatgebouw. Ik belde de brandweer, maar kon niet wachten tot zij er waren, dus ik rende het gebouw in. Naja, jullie weten wel wat er toen allemaal gebeurde. Later, toen ik met mijn moeder op het grasveld bij het gebouw zat, kwam de politie. Mijn moeder had me gezegd om mijn naam niet te zeggen, dus ik maakte er Evy van. De politie vroeg me om naar het bureau te komen, dus een poosje later ging ik met mijn moeder naar het bureau. Mijn moeder zei me dat ik niet het leger in moest gaan en ik vond het onzin dat ze daar over begon, maar toen we binnenkwamen, werd ik inderdaad gevraagd voor het leger. Toen we thuiskwamen, heeft mijn moeder me verboden om het leger in te gaan, waarna ze me dit armbandje gaf." Ik laat het armbandje om mijn pols zien. "Ik ben de volgende morgen om vijf uur uit huis geslopen en toch het leger in gegaan. Daar begon alles. Ik kwam aan in kamp Midden en toen ik mijn team ontmoette, bleken het allemaal jongens van achttien te zijn. Raar. We begonnen met trainingen en natuurlijk liep ik erg achter. Na een aantal trainingen kwam er een aanval, maar ik mocht niet mee van een vrouw genaamd Janice. Ik kwam erachter dat het figuurtje aan mijn armband symbool staat voor een volledige organisatie, een organisatie die mij -en drie andere Nederlandse meiden- in veiligheid wil stellen. Waarom? Omdat we excellent zijn. We halen hoge scores en daarom vinden ze dat we 'betere genen' hebben. Pure onzin als je het mij vraagt. Maar die genen van ons, die hebben wel gezorgd voor de oorlog die nu heerst. Gran Alcance voert oorlog totdat Nederlands ons aan hen overhandigt en daarom zoekt Nederland ons. Wij, Jeffrey, Marion en ik zijn nu op weg naar kamp Noord, waar de laatste excellent zit. Marion is excellent, Verona uit Noord ook en Suzan is al bij Gran Alcance."
Als ik klaar ben met mijn verhaal kijk ik naar mijn vrienden. Ze lijken alle drie niet te weten wat ze moeten zeggen. Na een korte stilte begint Esmée te praten.
"Toen jij weg was, is je moeder meteen naar het politiebureau gegaan. Daar weigerden ze om haar van enige informatie te voorzien. Ze kwam naar ons en we spraken veel. Toen jij een ruime week weg was, barste de hel los. Het dorp werd verwoest door Gran Alcance, folders met jou foto werden verspreid en jouw huis werd verwoest. Met onze drie gezinnen en jouw moeder hebben we geschuild. Heel het dorp zocht ons, was boos op ons omdat we om jou geven. Gaven ons de schuld. Na een halve week te hebben geschuild, hebben we ons hier in de kelder verstopt, ervanuitgaand dat de mensen nu wel zeker zouden weten dat we hier niet waren. Onze ouders zijn nu op pad om eten en medicijnen te halen. Jouw moeder.. Ze..." Haar adem stokt. Een schok gaat door mijn lichaam.
"Wat is er? Waar is ze nu?" vraag ik gehaast. Ik begin zwaar te ademen. Mijn moeder! Wat is er aan de hand?
"Eef, rustig blijven," begint Dave, "je moeder werd betrapt terwijl we door de straten slopen. Een man viel haar aan en sloeg haar in elkaar. We schoten haar te hulp en sloegen de man in elkaar, die bewusteloos achterbleef. We hebben je moeder naar dit huis gedragen. Ze was bewusteloos en was in levensbedreiging. Niemand wilde ons helpen dus we wisten niet wat te doen. Onze ouders en wij hebben alles geprobeerd, maar haar status is nog steeds niet stabiel. Ze ligt in bed nu." Direct sta ik op en ren ik naar het bed. Ik zie haar liggen, maar het is te donker om te zien hoe ze eraan toe is. Tess haalt de zaklamp van het plafond en komt naar me toe. Ze schijnt op mijn moeder. Een schok gaat door mijn lichaam bij het zien van haar bebloede gezicht, de blauwe plekken op haar schouders en haar gesloten, rode ogen. Ik val op mijn knieën en kan er niets aan doen maar begin te huilen. Ik haal haar hand onder de deken vandaan en houd hem stevig vast. Hij voelt koud.
"Mam," huil ik, "Mam het spijt me zo, dit is allemaal mijn schuld." Een snik ontsnapt aan mijn mond. Ze draait haar hoofd naar me toe.
"Mam? Mam!" huil ik weer. Ze knippert en kijkt me met wazige, doorbloede ogen aan.
"Het spijt me zo.. Dit.. Is allemaal mijn fout."
Ze opent haar mond om iets te zeggen, slikt even en brengt dan een zacht gefluister uit.
"Lieve Evelien.. Het ligt niet aan jou. Je bent excellent, daar kun je niets aan doen. Het is oké, ik zal oké zijn. Doe wat je te wachten staat en neem je vrienden met je mee. Ik zal me redden, maar momenteel is jou veiligheid belangrijker. Ga." Naarmate ze meer zegt, wordt haar stem zachter. Geluidloos rollen er nu tranen over mijn wangen. Ik geef haar een kus op haar wang.
"Houd je taai. Ik houd van je." zeg ik, waarna ik nog een keer in haar hand knijp en opsta. Terwijl ik naar Esmée en Dave loop, met Tess achter me aan, hoor ik mijn moeder zachtjes zeggen dat ze ook van mij houdt.
"Guys, we gaan naar Noord en jullie gaan mee. Ik ga jullie in veiligheid brengen." zeg ik stellig, waarna ik de tranen van mijn wangen en uit mijn ogen veeg.
"Ga niet naar Gran Alcance. Alsjeblieft." Een zacht stemmetje van achter me. Tess. Ik draai me om en zie Tess huilen. Ik loop naar haar toe en geef haar een knuffel. Terwijl ik haar knuffel zeg ik dat het me spijt. En dat is echt zo, ik vind het vreselijk om haar pijn te doen, maar het is beter zo. Ik geef ook Esmée en Dave een knuffel en in de tussentijd heeft Tess vier sjaals en wat dikke jassen gepakt. Ze geeft iedereen een sjaal en een jas, iedereen kleedt zich aan en daarna lopen we met zijn vieren naar boven. We trekken allemaal onze capuchon zo ver mogelijk omlaag en onze sjaal zo ver mogelijk omhoog, om zo niet goed zichtbaar te zijn en dan stappen we naar buiten. Het is nog steeds pikkedonker en het sneeuwt nog steeds. We lopen snel bij het huis vandaan en zoeken een plekje in een zijstraatje. Ik kijk de hoek om en zie de voorlichten van de truck aan komen rijden. Wat een geluk!
"Kom" zeg ik, waarna ik richting de truck ren. Mijn drie vrienden komen achter me aan. De truck rijdt onze kant op en wanneer hij dichtbij is remt hij af. We rennen het laatste stukje, waarbij Tess bijna uitglijdt.
"Achterin, guys" zeg ik tegen Dave, Esmée en Tess. Ik loop naar de andere kant van de truck en spring voorin, naast Jeffrey. Hij buigt zich naar me toe.
"Wie zijn dat?" sist hij, "En waarom deed je dat? Wat de fuck Evy."
"Dit is mijn woonplaats. En dit zijn mijn beste vrienden. Het spijt me, ik miste ze heel erg en mijn moeder ook. Ik heb ze in gevaar gebracht, ik ben ze dit verschuldigd. Breng ze in veiligheid. Alsjeblieft." Ik kijk hem smekend aan, hij blijft even boos kijken, maar zucht dan.
"Prima.." mompelt hij. Ik glimlach en geef hem een kus op zijn wang.
"Dankjewel!" zeg ik overhappy, "Gassen dan maar!" Ik glimlach en draai me om. Jeffrey start de truck en begint richting het station te rijden. Ik zie Dave, Esmée en Tess ongemakkelijk kijken, terwijl Marion naar buiten kijkt. Dit wordt nog wat.
~~~
Ik was daadwerkelijk op tijd! Joehoee! Ik heb wel lezers verloren doordat ik zo weinig schreef :((
Maar ik ga meer schrijven dus hopelijk krijg ik ook weer meer lezers ;)
JE LEEST
On fire (voltooid)
AksiEvelien is getuige van het feit dat de Derde Wereldoorlog begonnen is. Ze ziet een gebouw in de brand vliegen en redt een grote groep mensen uit het gebouw. Haar heldendaad zorgt ervoor dat ze geselecteerd wordt om het leger in te gaan. Ondanks prot...
