1

1K 33 7
                                        

Typisch.
Dat is het enige woord dat in mijn hoofd blijft hangen. Elke keer weer. Een nieuw schooljaar op Lincoln High, geweldig... of zoiets. Het is elk jaar hetzelfde oude liedje: je loopt het gebouw binnen, ruikt de muffe geur van te veel schoonmaakmiddel dat de zweetlucht van pubers niet kan verbergen, en dan zie je ze. Je oude klasgenoten. Of beter gezegd: zij zien jóú. Hun ogen glijden over je heen, blijven net iets te lang hangen, en zodra ze merken dat je het doorhebt, draaien ze zich haastig terug naar waar ze mee bezig waren. Heel veel liefde op Lincoln High. Je voelt het gewoon. Proef je de sarcasme?

Dit is mijn een-na-laatste jaar hier. Junior year. Nog een jaar, en dan senior. Nog een jaar daarna, en dan eindelijk weg. Weg van de gezichten die ik al te lang ken, weg van de energie die dit gebouw lijkt op te slurpen.

En zoals altijd begint het jaar met die vreselijke traditie. Iedereen moet zich verzamelen in de aula. Zo'n gigantische ruimte, kil verlicht, waar de geluiden van honderden stemmen tegen de muren kaatsen en zich vermenigvuldigen tot een oorverdovend geroezemoes. Pubers overal, vol hormonen en ego's. Je zoekt een plekje—waar je ook gaat zitten, er is nooit ontsnappen mogelijk. Daarna komt onvermijdelijk de preek van onze geliefde directeur. Elk jaar dezelfde woorden. Elk jaar dezelfde gebaren. Elk jaar dezelfde valse glimlach alsof hij dit werkelijk meent. Ik word er gewoon kotsmisselijk van. Serieus. Maar goed, dat is het leven: kotsmisselijk.

De langste dertig minuten van de dag, dat is die preek. Ik tel ze bijna af op mijn horloge, seconde voor seconde, terwijl mijn geduld als een dun elastiek op het punt staat te knappen. Maar uiteindelijk is het voorbij.

Dan komt de volgende marteling: de klassentoewijzing. Je naam wordt hardop genoemd, door een microfoon die altijd een beetje kraakt. Het klinkt onschuldig, maar geloof me—het is een vernederingsritueel. Zodra míjn naam valt, voel ik hoe hoofden tegelijk draaien. Alsof ik plotseling in de spotlights sta, alsof ik iets geks heb gedaan terwijl ik gewoon zit. Ze kijken me aan alsof ik twee hoofden heb. Rare mensen.

"Melissa Hale," zegt directeur Brian, met die monotone stem die hij waarschijnlijk al twintig jaar gebruikt.

En daar gaan we weer. Alle ogen op mij. Alsof ik dit moment niet al genoeg haat.

Ja hoor. Melissa Hale. Dat ben ik.

Laat me iets vertellen over mezelf. Ik ben zeventien jaar. Enig kind, gelukkig maar, want kinderen haat ik. Mijn haar is donker, bijna zwart, en mijn huid zo bleek dat ik constant dezelfde vraag krijg: "Ben je ziek?" Nee. Ik ben niet ziek. Integendeel, ik word bijna nooit ziek. Mijn ogen zijn blauwgrijs, een kleur die mensen soms mooi noemen, maar meestal gewoon raar vinden in combinatie met de rest van mijn uiterlijk.

Wat echt bij me hoort? Pesten. Dagelijks. Dreigementen, schelden, duwen in de gangen, struikelen op de trap—allemaal van die 'kleine' dingen die bij elkaar optellen tot iets groots. Het gaat al drie jaar zo door. Positief puntje? Ik ben eraan gewend geraakt. Het is bijna een achtergrondruis geworden.

En dit allemaal dankzij mijn zogenaamde beste vriend: Ace Carter.

Voor de duidelijkheid: wij zijn nooit vrienden geweest. Sterker nog, we zijn vijanden. Ik kan hem niet uitstaan. Elke dag dat ik hem niet zie, voelt als een kleine overwinning. Zoals vandaag, bijvoorbeeld: toen ik met mijn groepje naar het lokaal liep, merkte ik meteen dat hij er niet was. Dat maakte mijn dag meteen stukken beter. Tenminste één keer zijn irritante kop niet hoeven zien na de gruwelijke preek van Mr. Brian. Pluspunt voor vandaag.

Ace is zeventien, net als ik. Ik ken hem al sinds we luiers droegen. Hoe dat komt? Simpel: onze moeders zijn levenslange beste vriendinnen. Alsof dat mijn probleem moet zijn. Ace heeft een oudere broer, Cole, twee jaar ouder. Die twee samen? Hel op aarde. Gelukkig studeert Cole nu, dus dat is tenminste één demon minder in mijn leven.

Terug naar Ace. Bruin haar. Blauwe ogen. Veel te lang—1,83 meter. Elke keer als ik hem moet aankijken, voel ik mijn nek kraken. Ik haat mijn lengte: 1,62. Leven is nooit eerlijk.

En zijn favoriete bezigheid? Mij. Zuur. Maken. Altijd en overal. En alsof dat nog niet erg genoeg is, denkt mijn moeder dat Ace en ik hartsvrienden zijn. Had ze gedacht! Dankzij dat sprookje van haar moet ik hem soms ook nog buiten school zien. Alsof school alleen nog niet genoeg is.

"Hallo klas, weer een nieuw schooljaar. Ik ben jullie nieuwe scheikundedocent: Mr. Arden."

Ik slaakte een lange, vermoeide zucht. Wat denken die docenten toch? Alsof we blij zijn hier te zitten. Alsof dit een feestje is. Vooral met deze lieftallige klasgenoten naast ons.

Zoals altijd zit er niemand naast me. En dat is prima. Beter zelfs. Geen gezucht in mijn oor, geen gefluister, geen drama.

Vroeger had ik wel vrienden. Tenminste, dat dacht ik. We gingen naar de film, maakten samen huiswerk, lakten nagels, logeerden bij elkaar. Het leek echt. Maar uiteindelijk bleek het allemaal nep. Ze gebruikten me alleen. Voor school, vooral: ik maakte hun huiswerk, zij deden alsof ik erbij hoorde. Totdat ze me niet meer vroegen mee te gaan, behalve als ze geld nodig hadden. Wat een sukkels. Sindsdien vertrouw ik niemand meer. Het leven van een loner is rustiger dan vrienden zijn met trutten. Ik heb al genoeg aan mijn hoofd. Typisch.

Mr. Arden ratelde ondertussen door over zijn vakantie. Serieus, dacht hij nou echt dat iemand zich interesseerde in zijn "avonturen in Frankrijk"? Ik rolde met mijn ogen. Het kon me echt niks schelen.

Ik hing bijna slap in mijn stoel toen hij begon over zijn "nieuwe liefde in zijn leven". Mijn irritatie steeg met elke zin. Serieus, dacht hij dat dit lesstof was? God, ik werd er pissig van.

En toen—precies op dat moment—

Klop. Klop. Klop.

IMAGOWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu