Ik liep het lokaal uit na mijn laatste les van de dag: Engels. We hadden zojuist de opdracht gekregen om een literatuurwerkstuk te maken. Daar was ik eigenlijk best blij mee—boeken lezen is mijn vorm van ademhalen. Toevallig had ik gister nog mijn favoriete boek uitgelezen: Divergent.
Zodra de bel ging, spurtte ik de gang in. Ik had een afspraak met een jongen van het basketbalteam—James, als ik het goed had—om hem een werkstuk te overhandigen over het menselijk lichaam. Niet dat hij er zelf veel aan had gedaan, maar goed.
Het nadeel van rennen: mijn zwarte bril zakte om de paar stappen van mijn neus. Elke twintig meter duwde ik hem met mijn wijsvinger weer omhoog. Irritant was nog zacht uitgedrukt.
Eerst naar mijn kluisje om het stomme werkstuk te pakken—een week ploeteren, nul dankbaarheid, gegarandeerd. Daarna door naar het basketbalveld om het aan hem te geven.
Het was druk bij de kluisjes. Mensen stonden te hangen, te praten, te lachen; het was bijna onmogelijk om überhaupt bij mijn kluis te komen. Uiteindelijk wrong ik me ertussen, haalde diep adem en rukte het deurtje open.
Wat er toen gebeurde, had ik nooit verwacht.
Honderden kleurrijke enveloppen stortten als confetti uit mijn kluis. Overal dwarrelden ze op de grond: roze, paars, geel, groen, blauw. Op elke envelop stond mijn naam—althans, mijn bijnaam: Nerd.
Mijn wangen werden heet. Blikken priemden in mijn rug. Ik hoorde gegrinnik, openlijk gelach, gefluister dat niet eens probeerde zacht te zijn. Zelfs mijn zogenaamde 'vrienden' stonden te grijnzen. Bedankt voor de support, bitches.
Aandacht is niets voor mij; ik haat het om middelpunt te zijn. Duizend ogen op je gericht voelt als een felle lamp in je gezicht: verblindend en kleverig.
"Ah, Nerd," klonk het naast me, een onbekende jongen met een verschrikkelijke grijns. "Van wie zijn die liefdesgedichten? Zeg me niet dat je een geheime aanbidder hebt." Hij knipoogde alsof hij geestig was. Het koor van lachjes om ons heen deed mijn maag samentrekken. Ik voelde me klein, gekleineerd.
Uit mijn ooghoeken zag ik Ace en zijn vrienden elkaar high-fives geven. Natuurlijk. Hun achterlijke geintjes. Altijd.
De kring om me heen week iets uiteen—niet om mij ruimte te geven, wel om hen ruimte te maken. De gang wist hoe dit ritueel werkte.
In de afgelopen maanden had ik geleerd: als je de groep geen aandacht geeft, zoeken ze hem zelf wel. Dus stond ik op, stofte mijn knieën af en keek recht vooruit. Luisteren, peilen, overleven.
Een van de jongens kwam op me af. Zijn blik ging traag over mijn gezicht, zocht naar een emotie om op te kauwen. Vreemd genoeg was ik niet meer bang. Je raakt eraan gewend hoe mensen je behandelen; het wordt een soort dof pantser.
"Hoe voelt het, huh?" vroeg hij met een lelijke grijns. Het jeukte in mijn handen om die grijns van zijn gezicht te vegen, maar ik wist wat dat zou opleveren. En het was het nooit waard.
Ik opende mijn mond om te vragen wat hij in hemelsnaam bedoelde, maar Erik—natuurlijk was het Erik—liet me niet uitpraten. In één snelle beweging greep hij mijn bril, trok hem van mijn neus en gooide hem op de grond. Ik verstijfde. Zijn schoen volgde. Krak. De lens brak met een opvallend luid geluid.
Nummer vier dit jaar. Dag, bril.
Ik zag—wazig, maar toch—hoe Alex Ace een high-five gaf. Ik probeerde Ace aan te kijken, scherp te stellen, maar zonder bril was alles een aquarel. Zijn gezicht bleef onleesbaar: leeg, emotieloos. Alleen zijn ogen stonden op mij gericht.
JE LEEST
IMAGO
Tienerfictie"Melissa ga je om omkleden, het is bijna tijd!" schreeuwde mijn moeder van uit de keuken. "Tijd waarvoor en ik heb gewoon mijn schone kleren aan!"riep ik terug. "Geen grote mond jonge dame. De familie Carter komt op bezoek." hoor de ik. Toen de woo...
