De wereld om mij heen bestond uit niets. Geen lucht, geen geluid, geen tijd. Alleen een allesomvattende duisternis die zich als een kille mantel om mij heen sloot. Het voelde alsof ik opgeslokt was door een eindeloos gat zonder bodem, zonder einde, zonder ontsnapping. Elke ademhaling leek in de leegte verloren te gaan, opgeslokt door stilte.
Toch lag daar, midden in die leegte, iets dat niet bij dit niets hoorde.
Een roos.
Ze lag op de grond, een eenzame vlek van kleur in een zee van zwart. Haar bloemblaadjes waren rood. Niet zomaar rood, maar een intens rood dat bijna brandde in mijn ogen. Het was de kleur van bloed, vers en dreigend. Haar vorm was perfect, te perfect—alsof iemand haar met zorg had neergelegd om mijn aandacht te vangen. De roos leek te pulseren, alsof ze leefde. En diep vanbinnen voelde ik een onverklaarbare drang. Ze riep mij. Ze smeekte om geplukt te worden.
Mijn voeten begonnen te bewegen nog voor mijn gedachten het konden tegenhouden. Kleine stappen, voorzichtig, alsof de grond elk moment onder me weg kon glijden. Hoe dichter ik kwam, hoe kouder het werd. Een kilte trok door mijn huid, boorde zich in mijn botten en liet mijn adem als witte rook ontsnappen. Ik huiverde en trok mijn armen om mezelf heen, maar de kou hield me in haar greep.
Mijn ogen, wijd open, gleden rusteloos door de duisternis. Ik verwachtte dat er elk moment iets zou verschijnen, iets dat me greep, iets dat de stilte zou breken. Maar er was niets. Alleen die roos.
Nog een stap, en ik stond dicht genoeg om haar geur te ruiken. Geen zachte, bloemige geur. Nee. Het was zwaar, scherp, metaalachtig. Het rook naar roest. Naar bloed.
'Mellie...'
De stem sneed door het niets heen. Bekend. Te bekend. Mijn hele lichaam verstijfde, mijn hart stokte in mijn borst. Het was een stem die ik niet kon negeren, een stem die herinneringen en gevoelens opriep die ik diep had weggestopt.
Langzaam draaide ik me om, bang dat een te snelle beweging iets zou oproepen uit de leegte. Mijn ogen speurden het zwart af. Maar er was niets. Geen schaduw, geen mens, geen spoor. Alleen duisternis.
Ik draaide me terug. Mijn blik vond opnieuw de roos.
En toen zag ik ze.
Ogen.
Twee ogen, helder en diep als de oceaan. Ze gloeiden in het donker, priemden recht in de mijne. Mijn hart sloeg tegen mijn ribben alsof het wilde ontsnappen. Mijn lippen vormden woorden, maar er kwam geen geluid.
Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Eerst klein, dan langzaam groter. Het was een glimlach die ik ooit kende, een glimlach die vertrouwd had moeten voelen, maar die hier, in dit niets, een kilte in me wakker maakte. Hij zag er gelukkig uit. Té gelukkig.
Hij bewoog. Zijn hand gleed traag achter zijn rug vandaan.
'Zocht je dit?' Zijn stem galmde, diep en zwaar, alsof de leegte zelf hem herhaalde.
In zijn hand hield hij de roos. Dezelfde roos. Maar nu druipend van dikke, rode druppels die langs zijn vingers gleden. Het rood leek feller, intenser, alsof de bloem werkelijk bloedde.
Zijn hand zat onder de spetters. Het liep langs zijn pols, droop van zijn huid. Toch bleef hij glimlachen, alsof hij geen pijn voelde, alsof het bloed hem geen zorg baarde.
'Ace...' fluisterde ik. Mijn stem was schor, trillend.
Ik strekte mijn hand naar hem uit, hopend de bloem uit zijn handen te trekken, hem te bevrijden van wat hij droeg. Maar nog voor ik hem kon aanraken, begon de wereld te trillen. Het zwart week, werd overspoeld door een verblindend licht.
JE LEEST
IMAGO
Tienerfictie"Melissa ga je om omkleden, het is bijna tijd!" schreeuwde mijn moeder van uit de keuken. "Tijd waarvoor en ik heb gewoon mijn schone kleren aan!"riep ik terug. "Geen grote mond jonge dame. De familie Carter komt op bezoek." hoor de ik. Toen de woo...
