31

494 25 5
                                        

De kerstvakantie was nog maar net uitgedoofd. De straten droegen de naweeën—slierten versleten slingers in voortuinen, lampjes die overdag hun magie verloren. En wij moesten weer terug: school. Bluh, zoals mijn lijf elke keer bromde als de wekker weer te vroeg klonk.

Ik zat op het bankje dat half in de wind, half in de winterzon stond, aan de rand van het grote schoolplein. Het was een zee van geluid: schreeuwende stemmen, piepende sneakers, het metaalachtig rinkelen van de hekjes waar eerstejaars tegenaan hingen. Als ik kon kiezen, zat ik hier niet. Maar ik had afgesproken met Abigaïl—Abbie—een van de weinigen die ik in dit decor nog 'vriend' kon noemen.

Vorig jaar waren we bevriend geraakt, toen ik gedwongen overstapte naar de enige junior high in de buurt: The Elizabeth School. Tien minuten lopen van huis, tien minuten dichterbij de verkeerde herinneringen en de juiste mensen—soms in dezelfde persoon verenigd.

Eerst was ik blij geweest dat Ace óók naar Elizabeth moest. Hij hoorde bij mijn leven zoals ademhalen dat doet: gedachteloos, vanzelfsprekend. Maar ergens onderweg was iets scheef gegroeid. Hij begon me te negeren. Afspreken werd uitstellen, uitstellen werd afzeggen, afzeggen werd stilte. Het voelde alsof iemand langzaam de luchtkraan dichtdraaide. Vriendschap kan verdampen, leerde ik. Vooral als de ander de ramen openzet.

"Zit je weer in je hoofd?" Abbie's stem brak door de ruis. Ik knipperde en mijn blik haakte vast op de rug waar ik zó vaak ongevraagd bleef hangen: donkerbruin haar in een nonchalant patroon, de lijn van schouders die net breed genoeg waren om aan te leunen—als dat ooit de bedoeling was geweest. Toen ik hem voor het eerst zag, was ik bijna van mijn stoel gevallen. Nog steeds deden zijn ogen iets geks met mijn longen: stralend groen, dat soort groen dat je blijft volgen, zelfs als je weet dat je je er aan kunt snijden. Kevin.

Hij zat een jaar hoger—moest het overdoen, omdat vorig jaar 'zijn best doen' blijkbaar op zijn to-do later lijst stond. We deelden een klas; het lot had humor. Ik vermoedde dat Ace dondersgoed wist dat ik een zwak had voor Kevin, want telkens als hij in de buurt kwam, trok Ace samen tot een bundel agressie. Dat was vreemd. Ace en agressief gingen niet samen, dacht ik altijd. Tot het wel zo was.

Ik staarde naar Kevins rug alsof daar de antwoorden op gekrabbeld stonden. "Waarom praat je niet gewoon met hem?" Abbie zwaaide met haar hand voor mijn gezicht, nagellak lichtroze, jurk lichtroze, alles aan haar een tint die zei: vrolijk. Ik keek naar mezelf—tachtig procent zwart. Subtiliteit heeft ook kleur.

"Waarom zou ik?" zei ik, en ik hoorde mijn eigen stem te eerlijk. "Hij heeft toch geen interesse in mij."

"Dat weet je pas als je het vraagt," zei Abbie, haar grijns een tikje duivels. Ze legde haar hoofd scheef, alsof ze me onder een andere hoek misschien dapperder vond.

Ik zuchtte en keek weer. Kevin stond met Erik en Tim te discussiëren; Kevins frons was diep, de twee anderen lachten hardop, op het luidruchtige af. Er zat een lading onder hun lol. Iets dat naar kruimels rook.

Toen keek hij op. Betrapt. Zijn blik haakte de mijne. Ik schoot weg, alsof oogcontact een alarm was dat ik beter niet langer dan één seconde in kon drukken.

Abbie giechelde. "Hou op," mopperde ik. "Het is niet grappig." Ik gaf haar een duw; ze lachte harder. Vrienden zijn soms ellendig eerlijk.

"Hoe is het met Ace?" vroeg ze, alsof ze de kleur van de lucht wilde checken.

"Goed?" Mijn wenkbrauw ging omhoog. Ze vroeg opvallend vaak naar hem.

"Ruzie?" Haar toon was nieuwsgierig, niet boosaardig.

"Nee." Mijn stem trok zich terug in mijn keel. Wij hadden geen ruzies. De laatste die ik me herinnerde, was van toen we zes waren en hij mijn snoep stal omdat hij me 'wilder' wilde zien. Ik was wilder geworden, maar niet zoals hij bedoelde.

IMAGOWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu