13

502 25 2
                                        

Het weekend was eindelijk aangebroken. Eindelijk tijd om uit te slapen. Tenminste... als ik nog kon slapen. Ik had nog steeds niets van Jordan gehoord. Sinds woensdag was hij niet meer op school geweest. Mijn pogingen om hem te bellen of te appen bleven onbeantwoord. De stilte maakte me onrustig. Als hij me ooit gewoon zijn adres had gegeven, had ik al lang voor zijn deur gestaan.

Elke keer dat ik hem probeerde te bellen, kreeg ik die irritante voicemail:

"Helllloooo!!! Je spreekt met Jordan McCall. Ik ben momenteel niet aanwezig omdat ik mijn Unicorn eten geef. Spreek een bericht in na de pieeeeeep."

"Gozer, verander je voicemail. Het is freaking irritant. EN NEEM OP, OEN!"
Dat was de laatste boodschap die ik had achtergelaten.

De dagen gingen verder. Ik sprak nog wel één keer af met Alex voor ons biologieproject. Een enorm project—goed voor veertig procent van ons eindcijfer. Gelukkig hadden we twee maanden, maar toch... Het voelde alsof het ons leven bepaalde. Alex deed alsof hij de opdracht snapte, maar geloof me: zonder mij had hij er niets van begrepen.

Gelukkig was Mrs. White die keer niet thuis. Geen ongemakkelijk avondeten dus. Serieus, ik had al genoeg vreemde diners achter de rug de laatste weken.

Zaterdagochtend. Heerlijk geslapen... not.
Ik sleepte mezelf onder de douche, bleef er expres langer staan dan nodig. Tijd rekken.

Uiteindelijk liep ik in mijn Batman-trainingspak naar beneden, nog half slaperig. De geur van gebakken cake kwam me tegemoet. Mijn humeur knapte er spontaan van op.

"Mama bakt zoetigheid!" grijnsde ik in mezelf.

Met een grote glimlach stapte ik de keuken in. "Goeiemorgen, Mama!"

Ze keek me met eenzelfde glimlach aan. "Goeiemorgen, Mellie. Raar trouwens, je slaapt de laatste tijd helemaal niet meer uit." Haar wenkbrauw ging omhoog, haar glimlach gleed over in een veelbetekenende grijns.

"Niet mijn schuld," zuchtte ik. "Ik wil wel, maar mijn hoofd gunt me geen rust."

"Vertel," zei ze, terwijl ze me een kop thee met suiker gaf.

Ik twijfelde. Was het slim om dit aan haar te vertellen? De laatste tijd denkt ze bij alles meteen dat er een jongen in het spel is. Toch... ik moest mijn hart even luchten.

"Het is Jordan," zei ik zacht.

Haar ogen lichtten meteen op. "Ha! Ik wist dat je gevoelens voor die jongen zou krijgen!" Ze leek bijna te willen dansen. Serieus. Psychiater. NU.

Ik schudde mijn hoofd fel. "Nee, ma! Het is niet wat jij denkt. Jordan neemt zijn telefoon niet op, reageert nergens op, en hij is al dagen niet op school geweest. Ik maak me zorgen." Een brok schoof omhoog in mijn keel.

Mijn moeder keek me even aan, haar blik zachter. "Misschien is hij ziek, liefje. Dan heeft hij gewoon geen energie om te reageren."

"Ja..." mompelde ik. Maar diep vanbinnen voelde ik dat er iets mis was.

Mijn ogen gleden naar de cake die ze net op tafel had gezet. De geur was verrukkelijk. Ik stak mijn hand uit—swoesh! Een pollepel sloeg neer op mijn hand.

"AUW!" riep ik. "Waarom?!"

"Die is niet voor jou," zei ze streng, met de pollepel in haar hand als een zwaard.

"Voor wie dan?" fronste ik.

"Voor de familie Carter," zei ze opgewekt. Toen keek ze me aan met puppyogen. "En jij gaat hem brengen."

Ik draaide mijn hoofd weg. "Nee. Geen sprake van."

"Alsjeblieft, Melissa. Ik moet vandaag het hele huis schoonmaken en dat kost me een eeuwigheid. Help je moeder."

Ik bleef koppig naar de muur staren. Tot ze haar ultieme troefkaart speelde. "Je mag mijn auto lenen."

Ik draaide me meteen naar haar om. "Serieus?"

"Serieus. Maar alleen als je de cake wegbrengt."

"Deal!" riep ik, en rende naar boven om me om te kleden.

Het regende hard toen ik bij de straat van de Carters arriveerde. De cake stond veilig op de passagiersstoel. Ik parkeerde, sprong naar de voordeur en belde aan.

Langzaam ging de deur open. Daar stond hij.
Cole Carter. Met een grijns van oor tot oor en wiebelende wenkbrauwen.

"Hey, Melissa. Lang niet gezien. Heb je me gemist?"

"Ugh," kreunde ik. "Ben je weer geschorst?"

Cole—de demonenbroer van Ace. Twee jaar ouder, studeerde Business, en minstens zo irritant als zijn broer. Soms kon hij charmant zijn, maar meestal wilde je hem gewoon een klap verkopen.

"Ik woon hier, weet je nog?" zei hij quasi-serieus, een hand op zijn heup. "Dus... wat doe jij hier?"

Ik hield de cake omhoog. "Vanillecake. Zelfgebakken. Door mijn moeder."

Cole nam hem van me over, knikte en grijnsde. "Gelukkig. Want jij kan écht niet koken." Hij zette meteen zijn tanden erin.

"Au. Mijn hart." Ik hield mijn hand op mijn borst, overdreven dramatisch.

Hij lachte met volle mond. "Ik heb je moeder's bakkunsten gemist."

Typisch Cole. Binnen een minuut had hij al bijna een kwart op.

"Waar is iedereen?" vroeg ik.

"Zu... zok... fweegfd," mompelde hij met volle mond.

"Praat alsjeblieft als een mens," zei ik droog.

Hij slikte. "I don't care."

Ik schudde mijn hoofd. "Weet je, laat maar. Ik ga."

Cole keek me even serieus aan, toen verscheen er een oprechte glimlach. "Toch leuk je weer te zien, Mellie. Ik heb het echt gemist om je te plagen. En dat jij me daarna half in elkaar sloeg."

Ik glimlachte terug. "Goeie oude tijden. Maar nu moet ik écht gaan. En probeer niet wéér geschorst te worden."

Toen ik de deur achter me dichttrok, hoorde ik hem giechelen. Serieus. Giechelen. Die jongen is een raadsel.

Een kwartier later zat ik met een pistache-en-chocolade-ijsje in het park. De regen was opgehouden, de lucht fris en schoon. Ik liep richting de rivier, langs spelende kinderen en honden die door plassen sprongen.

Mijn ogen bleven hangen bij een bankje. Niet zomaar een bankje. Ons bankje. Daar waar Jordan en ik de vorige keer hadden gezeten.

Er zat iemand. Een jongen, hoofd gebogen, handen voor zijn gezicht. Zijn zwarte haar nat, zijn jas herkenbaar. Mijn hart sloeg een slag over.

Ik liep dichterbij. Nog dichter. Twee meter afstand.
"Jordan?" Mijn stem was zacht, bijna een fluistering.

Hij keek niet op.

Maar ik wist het zeker.

IMAGOWaar verhalen tot leven komen. Ontdek het nu