Mijn leven begint verdacht veel op een soap te lijken: van de ene situatie roetsj ik door naar de volgende, zonder pauzeknop, zonder aftiteling. En ik haat soaps. Als er één constante is, dan is het wel dat ik niet van drama houd—maar blijkbaar houdt drama wél van mij. Soms denk ik dat ik DRAMA permanent op mijn voorhoofd moet laten tatoeëren, gewoon zodat het universum ophoudt verrast te doen. Waarom mag ik niet gewoon een saai, rustig tienerbestaan hebben? Is dat écht te veel gevraagd?
Hoe dan ook: ik heb weer een paar schooldagen overleefd. Vraag me niet hoe. De uren vlogen aan me voorbij als losse blaadjes op een stormdag. Jordan hielp bepaald niet—elke les maakte hij wel iets geks mee of veroorzaakte het zelf, waardoor hij er nu de hele week uit ligt met nablijven. Hij noemde het "tijd voor reflectie"; ik noem het: sukkelgedrag met nasleep.
Alex negeer ik ondertussen vakkundig. Zijn berichten blijven ongelezen liggen, zijn naam licht op en dooft weer. Wat hij geflikt heeft is gewoon niet oké. Ja, ik heb ingestemd met die zogenaamde "deal" voor bij zijn ouders, maar dat wist hij ook: dat wil níét zeggen dat alles tussen ons plots opgeklaard is. Zeker niet. Als hij vergeving wil, zal hij met iets beters moeten komen dan puppyogen en arrogante stilte.
En eerlijk? Het is niet eens een deal. Het is eenzijdig vrijwilligerswerk dat ik voor hem verricht: ík speel toneel, híj betaalt de prijs in... precies niets. Dat gaan we heronderhandelen zodra ik er zin in heb—en tot die tijd mag hij het doen met radiozwijgen.
De laatste bel van de dag klonk als een opgeluchte zucht door het gebouw. Mijn slotuur was weer een bewijs dat school soms voelt als een fabriek waar je onnozele kennis krijgt ingeladen die je nooit meer gebruikt. Een vreemd soort heiligdom, deze school: een kapel vol formules en regeltjes die je alleen nodig hebt om toetsen te overleven.
Bij mijn kluisje gooide ik met meer kracht dan nodig mijn boeken naar binnen. Het metaal gaf een bevredigende klap die in de gang nagonste. Iemand tikte op mijn schouder. Ik rolde mijn ogen en draaide niet eens om. Weer zo'n grapjas. Ik ramde nog een map naar binnen. Weer een tik. Mijn nekspieren trokken strak. Zie je niet dat ik bezig ben, oen?
Ik greep mijn jas, en—nog een tik. Serieus?
"Gozer," snauwde ik zonder me om te draaien, "zie je niet dat ik bezig ben? Zoek iemand anders om lastig te vallen."
Ik wilde net mijn arm in mijn mouw schuiven toen het tikje opnieuw kwam, koppig. Ik draaide me in één vloeiende beweging om, klaar om de schuldige mijn viesste blik te gunnen.
Alex.
Zijn gezicht stond niet arrogant of triomfantelijk zoals vaak, maar dof. Vermoeid. Alsof er 's nachts iets bij hem was blijven knagen. Ace? Nog steeds ruzie? Ik duwde het medelijden terug waar het hoorde en trok mijn jas dicht.
"Wat is er, Alex?" vroeg ik vlak.
Hij liet zijn blik langs het openklappende kluisdeurtje glijden. "Wat moet dit voorstellen?" vroeg hij, dommig bijna.
"Een manier om mezelf langer hier te houden," zei ik, droog. "Therapie, maar dan gratis."
Hij blies zijn adem uit, rolde zijn ogen en zuchtte diep. "Dus je bent nog steeds boos."
"Verdomd scherp opgemerkt," antwoordde ik. Ik sloot mijn kluis met een harde klap.
Hij keek me nu recht aan. In zijn ogen iets zwaars, iets vreugdelooss—geen vuur, maar as. "Kunnen we praten, Melissa?" Zijn stem was laag. "Ik wil niet nóg iemand hebben die boos op me is."
Er zat iets in zijn toon waardoor mijn schouders onwillekeurig een fractie zakten. Hij heeft een schouder nodig, dacht ik. Figúúrlijk, Hale. Niet letterlijk. Geen enkele tienerjongen wil daadwerkelijk op je schouder uithuilen in een overvolle gang. Toch?
"Oké," zei ik kort. "Eén rit."
We liepen de school uit. Een paar blikken gleden langs ons, die rare mengvorm van opwinding en misprijzen die je krijgt als "nerd" en "populaire jongen" naast elkaar lopen. Laat ze maar kijken. Het leven schrijft vreemdere scripts dan wij.
In de auto draaide Alex zijn sleutel om en keek me meteen aan. "Waarheen? Zeg jij het maar."
"Jamie's," zei ik. "Ik heb ijs nodig."
Hij knikte alsof het logisch was en stuurde de wijk uit. Bij de ijssalon koos ik een tafel bij het raam. Alex nam de bestelling op zich—hij stond erop te betalen, ik weigerde uit principe, hij won met irritante elegantie. Natuurlijk.
Hij kwam terug met twee hoorntjes. Eén pistache–chocolade, één pistache–kokos. Hij schoof de kokos naar mij en hield de andere zelf. Het voelde als een raar soort vredesoffer.
We aten zwijgend een paar happen. De spiegeling van de straat in het raam vloeide over onze gezichten, auto's streken voorbij als vissen in een aquarium.
"Is pistache ook jouw favoriet?" vroeg ik uiteindelijk, iets te vrolijk. Mijn stem haalde zichzelf uit de bocht, awkward.
Hij glimlachte, verrassend warm. "Yup."
De stilte kwam terug, zachter, maar nog steeds aanwezig. Ik zette mijn hoorntje neer. "Dan nu: de deal," zei ik. "We doen het op míjn manier."
"Melissa al—" begon hij.
"Tuttut." Ik stak een vinger op. "Dit keer zet ík de voorwaarden."
Hij leunde achterover, handen in zijn zakken, een wenkbrauw op. "Luister."
"Ik speel je vriendinnetje bij je ouders," zei ik rustig. "Maar er staat iets tegenover."
"And that is?" Zijn toon gleed naar licht spottend, maar zijn blik bleef serieus.
Ik keek even naar het plafond, naar mijn lege hand, naar de ijskaart. Leeg. Leeg. Leeg. Toen klikte het. "IJsjes," zei ik, te hard.
"Pardon?" Hij begon al te grijnzen.
"IJsjes," herhaalde ik plechtig. "Elke keer als we afspreken voor dat project, of als ik moet komen opdraven voor het toneelstuk bij je ouders—dan trakteer jij. Niets ingewikkelds. Geen bloemen, geen onzin. Gewoon ijs."
Er trok iets los bij zijn mondhoeken. "Jij bent echt apart."
"Dat hoor ik vaker," zei ik, en betrapte mezelf op een glimlach die ik niet tegenhield.
We aten verder. Buiten schoof een grijze wolk voor de zon en de straat werd plots een tint donkerder. Iemand lachte luid bij de toonbank. De bel boven de deur klingelde.
Thuis lag wiskunde als wraak op mij te wachten. Halverwege een som die zich gedroeg als een labyrint klonk er geklop op mijn deur. Ik draaide me om op mijn bureaustoel. Mijn moeder stond in de opening. Haar gezicht was zacht, maar er lag een waas van voorzichtigheid overheen.
"Melissa, kan ik even met je praten?" Haar stem was te rustig. Alarmbellen.
"Natuurlijk," zei ik, al voelde het meer als vooruit dan maar.
Ze stapte binnen, sloot de deur niet, en bleef tegenover me staan. "Het gaat over je vader," zei ze neutraal. Ik knikte, strak.
"Hij belde vanmiddag. Hij wil morgen met je uit eten." Ze hield mijn blik vast en deed haar best om er geen oordeel in te leggen. "En... waarom reageerde je niet op zijn bericht?"
"Ik... vergat het," zei ik. Het klonk dun en schuldig, precies zoals het voelt.
"Het is goed," zei ze. "Het eten is bijna klaar." Ze draaide zich om en liep de gang weer in.
De deur klikte niet dicht, maar in mij wel iets. Een oude zenuw begon te trillen, onzichtbaar voor de buitenwereld en oorverdovend vanbinnen. Morgen. Uit eten. Met mijn vader. De man die opduikt als een komeet: even schitterend, dan weer weg. Ik duwde mijn wiskundeboek dicht en staarde naar het plafond.
Ik wil hem niet zien, dacht ik. En een ander, koppiger deel van mij fluisterde: en ik wil het wél. Twee waarheden in één borstkas. Fijn, nog wat extra drama voor de soap. Misschien moet die tatoeage er toch maar komen.
JE LEEST
IMAGO
Tienerfictie"Melissa ga je om omkleden, het is bijna tijd!" schreeuwde mijn moeder van uit de keuken. "Tijd waarvoor en ik heb gewoon mijn schone kleren aan!"riep ik terug. "Geen grote mond jonge dame. De familie Carter komt op bezoek." hoor de ik. Toen de woo...
