| Deel 165

269 7 4
                                        

Minuten leken uren. Ik werd weggerukt bij Badr en wilde niet loslaten. Ik kón hem niet loslaten. Ik wilde hem nooit loslaten. Mijn hart leek te willen stoppen. Mijn adem stokte al sinds zijn ogen waren gesloten. Om me heen zag ik mensen rennen, schreeuwen, huilen... Ik kon me niet bewegen. Ik wilde doodgaan met hem. Met de man die mij altijd had beschermd, maar nu zelf niet beschermd kon worden.

Ik keek naar mijn handen, die doordrenkt waren met zijn warme bloed. Dit was nog alles wat ik van hem had. Hij — de man met wie het leven ons op een afschuwelijke manier bij elkaar had gebracht, maar die uiteindelijk door datzelfde leven weer van mij werd afgenomen.

De man die me altijd beschermde.
De vader van onze kinderen...

Ik hoorde in de verte mijn naam, maar ik bleef voor me uit staren. Toen ik twee armen om mijn middel voelde, draaide ik me om en keek in de ogen van mijn vader. Zijn lippen bewogen, maar ik hoorde niets. Zelfs Adam krijste het hele huis bij elkaar, maar ik hoorde niets.
Ik was dood vanbinnen. En ik wilde dood blijven. Zonder Badr was het leven voor mij één grote zwarte bladzijde. Het leven had geen nut meer voor mij. Het had eigenlijk nooit nut gehad.

De tranen bleven komen en plots voelde ik een hand om mijn arm die me lichtjes in elkaar schudde. Het was Laila die ook in tranen geroerd was en Adam vast had. Hij spreidde zijn armpjes uit om naar mij toe te komen. Langzaam stond ik op en keek weer voor me uit. Maar ik hield het niet vol. Ik stortte in, huilend, met zijn naam op mijn lippen. Alles raasde door elkaar in mijn hoofd. Een paniekaanval. Ik begon te hyperventileren. Ik werd gek, geloof ik.

Plots dacht ik aan zijn dochter, aan Amber. De paniek sloeg nog harder toe. Hoe moest je dat arme kind uitleggen dat haar vader én haar broertje vermoord waren? Oh mijn God, ik hield het niet meer!

"Sophia!"

Ik schrok op uit mijn gedachten en keek in de ogen van Laila. "Sophia... alsjeblieft..." zei ze snikkend.

Toen ik ineens terug werd gelanceerd in de realiteit, keek ik om me heen. Badr was verdwenen. Adil lag er nog, en mijn tante ook. De vloer leek op een oorlogsgebied, met al het bloed dat overal lag. "Waar is hij? Waar is Badr?" piepte ik zachtjes. Ik werd ineens hysterisch en keek wild om me heen. "Waar is hij!" schreeuwde ik. "Sophia..." hoorde ik. "Waar is mijn man!!! Waar is hij!!!"

Er viel een stilte. Ik keek mijn vader aan. "Hij is er slecht aan toe, benti. Hij heeft het niet gehaald," zei hij. Ik schudde mijn hoofd in paniek. "Waar is hij..." fluisterde ik, terwijl ik de woonkamer als een bezetene doorkruiste. "Badr!" schreeuwde ik opnieuw.

Ik werd gek. Krankzinnig. En alsof het nog niet genoeg was, kwam de politie binnen en sloeg mijn vader in de boeien. Tarik was nergens te bekennen. Ik liep naar mijn vader toe en trok hem uit de handen van de politie. "Niet doen! Niet doen, Sophia! Dit is geen België!" siste hij. Maar ik huilde, smeekte, en raakte buiten zinnen. Alles werd mij ineens ontnomen.

Eerst mijn moeder, toen Liyam, Badr — en nu mijn vader?

Hoofdschuddend hield ik hem vast totdat ik werd gegrepen door een agent. Mijn vader werd meegenomen. Ik werd losgelaten. "Maak je geen zorgen, Sophia. Ik ben zo weer thuis. Alsjeblieft..." zei hij.

Nee.
Dat zou je niet zijn, vader.

De beloftes die ik moest aanhoren van mensen. ‘Het komt wel goed.’ Nee. Niets kwam goed. Dat kwam niet voor in mijn woordenboek. Gelukkig mocht ik niet zijn. Dat was voor mij niet weggelegd.

Het leek wel alsof het leven een spelletje met me speelde. Even was ik gelukkig — en negen van de tien keer werd ik keihard geraakt. Het leven lachte me uit.

"Sophia."

Ik keek opzij. Laila stond daar nog steeds, met Adam in haar armen. Ze reikte haar hand naar me uit. Ik stak mijn hand naar haar uit en ze trok me naar zich toe.

Haar naam is SophiaVerhalen om door geobsedeerd te raken. Ontdek het nu