| Deel 161

198 9 6
                                        

Mijn hart kneep zich samen, alsof onzichtbare handen het dichtknijpten, strakker en strakker, tot ik nauwelijks nog kon ademen. Mijn handen trilden onwillekeurig, mijn lichaam voelde zwak en machteloos, alsof mijn ziel langzaam wegdreef uit mijn omhulsel. Hij... was met haar naar bed geweest. Zijn eigen achternichtje. De woorden klonken onwerkelijk in mijn hoofd, als een nachtmerrie die zich toch had voltrokken. Ik wilde het niet geloven, wilde de waarheid niet onder ogen zien. Niet hij. Niet de man met wie ik net getrouwd was.

Het moest daarna zijn gebeurd, want daarvoor was ze nog in Noorwegen. Vlak na onze bruiloft. Hij was vreemdgegaan. Met haar. Mijn maag kromp samen en ik bracht een hand naar mijn mond, misselijkheid overspoelde me. Met een schok stond ik op en vluchtte naar de badkamer, waar ik me boven de rand van het toilet liet zakken en alles wat ik binnen had uitgespuugd.

Mijn adem stokte, tranen brandden achter mijn oogleden, maar ze vonden geen uitweg. Mijn geest was verlamd door de schok, gevangen in een onzichtbare kooi. Toch voelde ik opnieuw de misselijkheid opkomen en gaf weer over. Niet Badr. Niet hij. Iemand anders, iedereen behalve hij. Maar mijn wereld was ingestort. Helemaal.

Mijn naïviteit sloeg me in het gezicht als een koude wind. Had ik echt gedacht dat hun band alleen familiair was? Had ik niet de kleine signalen gezien? De afstandelijkheid tijdens de verloving van Mohammed? En mijn kind, Adam... die vrouw had hem vastgehouden, terwijl ze gewoon met zijn vader naar bed is geweest! Mijn man!

Ik voelde het benauwd worden toen ik terugdacht aan de woorden van zijn tante: 'Badr is naar het gastenverblijf gegaan.' Iets later gaf zij zelf toe dat ze daar sliep. Hij was bij haar geweest. Gewoon bij haar.

De tranen prikkelden nu achter mijn ogen. Ik kneep mijn hand tegen mijn mond om mijn snikken te verbergen, maar het was te diep, de pijn te groot. Mijn hart brak op een manier die ik nooit eerder had gevoeld.

'Wat heb je me aangedaan?' fluisterde ik, snikkend in mezelf. De lucht leek weg te blijven, ik stikte bijna in mijn eigen tranen. Met moeite kroop ik overeind en liep de badkamer uit, naar de voordeur.

Plotseling voelde ik een hand om mijn pols. In een reflex sloeg ik uit en rukte me los, mijn ogen vol walging.

"Raak me nooit meer aan,' zei ik. "Ik hoop dat het het waard is geweest."

Ik liep het huis uit, in de koude stilte van de nacht. Hij probeerde me vast te houden, zijn armen om me heen, maar ik duwde hem weg, woedend en verdrietig tegelijk.

'BLIJF VAN MIJ AF!' schreeuwde ik. "Raak me nooit meer aan. Loop naar de hel."

Terwijl ik me omdraaide en weg rende, hoorde ik hem zeggen: "Je komt niet ver, Sophia. Er staat iemand bij het hek."

Ik luisterde niet naar hem en versnelde mijn pas. 'Vuile hufter! Hoe kun je me dit aandoen?!' snikte ik, terwijl mijn zicht vervaagde door de tranen. Ik veegde ze haastig weg en liep recht op de beveiliger af die bij het hek stond.

"Doe het hek open." zei ik.

"Niet doen!" klonk het achter me.

Ik draaide me om. Badr kwam langzaam dichterbij. Ik liep achteruit, richting de beveiliger.

"Doe het hek open!" schreeuwde ik. Mijn stem trilde van woede.

Toen pakte hij me vast. Mijn hand schoot naar zijn riem - ik voelde het wapen en trok het eruit. "Laat me los!" siste ik.

Zodra hij zag wat ik in handen had, liet hij me schrikachtig los.

"Alsjeblieft... doe het hek open." zei ik met tranen in mijn ogen.

'Sophia!' riep Badr.

Ik draaide me naar hem en richtte het wapen. "Wat zou ik je graag nu van kant maken." zei ik, mijn stem verstikt. "Jij smerige klootzak. Iedereen had gelijk over jou. Ik was zó blind... natuurlijk trapte ik er weer in. Je wist dat ik zou happen."

Haar naam is SophiaVerhalen om door geobsedeerd te raken. Ontdek het nu